VRAGENBUS
r-*-— 7 I Correspondentie voor de se rubriek aan : | T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid v y
v y A. B. te L. vraagt wat de verklaring is van Joh. 10 vers 30 en van Joh. 14 vers 28 en hoe dit te rijmen is.
Antwoord: n Joh. 10 : 30 lezen wij: Ik en de Vader zijn één" en in Joh. 14 : 28: Want Mijn Vader is meerder dan Ik."
Bij de eerste tekst merken de Statenvertalers op, dat de Heere Jezus en Zijn Vader één in Wezen en macht zijn en bij de 2e tekst tekenen zij aan, dat de Vader in majesteit en heerlijkheid meerder is, dan Christus in de Staat Zijner vernedering. De Heere Jezus wekt Zijn discipelen op om blijde te zijn, dat Hij heen zal gaan om die heerlijkheid weer aan te nemen, die Hij had, eer de wereld was, dewijl dit strekken zal tot zaligheid van Zijn discipelen. Als de Heere Jezus zegt: „Ik en de Vader zijn één", dan bedoelt Hij daarmee, dat Hij en de Vader tezamen en ieder afzonderlijk instaan voor de bescherming der heiligen en voor hun volmaking.
Hier wordt bedoeld de eenheid der natuur van dc Vader en de Zoon, dat zij zijn van dezelfde natuur en dat Zij gelijk zijn in macht en heerlijkheid.
Onze vaderen hebben deze tekst aangevoerd tegen de Sabellianen (Sabellius wilde de eenheid Gods handhaven, doch deed dit op zulk een wijze, dat alle onderscheid tussen de drie Personen verdween) om het onderscheid en het meervoud der twee Personen aan te duiden. Ook hebben zij die tekst gebruikt tegen de Arianen om de eenheid van natuur of van wezen te bewijzen, dat deze twee één zijn. Als de Heere Jezus zegt: „Want Mijn Vader is meerder dan Ik, dan zegt één onzer oudvaders daarvan: „Zijn wederkeren tot Zijn Vader zal Zijn verhoging zijn tot een veel hogere staat, dan Zijn tegenwoordige is. Of wel aldus: Zijn heengaan tot de Vader zelf en Zijn derwaarts heenbrengen van al Zijn volgelingen was het doeleinde van Zijn onderneming."
A. B. te L. vraagt ook: „Zijn de drie Goddelijke Personen in de aanbiddellijke Drieeënheid, onderscheiden zelfstandigheden, één van doel, één in macht en één in heerschappij ?
Antwoord: Het is niet gemakkelijk om over de Drieëenheid te handelen. Het is voor ons mensen met ons eindig verstand zo moeilijk om een omschrijving te geven van het woord „Drieënig."
Anthanasius heeft in zijn geloofsvorm en bekentenis gezegd: „Het algemeen geloof is dit, dat wij de Enige God in de Drieheid en de Drieheid in de Eenheid eren. Zonder de Persoon te vermengen of het wezen en de zelfstandigheid te delen. Want de Persoon des Vaders is een Ander, die des Zoons is een Ander die des Heiligen Geestes is een Ander enz.
Als U dus onder „zelfstandigheden" bedoelt „personen", dan is daar geen bezwaar tegen. Die betekenis geeft Brakel er ook aan, als hij zegt: „Als het woord Hypotasis van een verstandige zelfstandigheid gezegd wordt, dan betekent het een persoon. Daardoor verstaan wij een levende, verstandige, onmededeelbare, niet van een ander ondersteunende, geen deel van een ander, op zichzelve staande zelfstandigheid."
Ook Hellenbroek vraagt: Mag men ook het woord „personen" hier gebruiken en dan is het antwoord: Ja, dat betekent hier hetzelfde als 4iet woord zelfstandigheid. Hebr. 1 : 3."
Als U vraagt of de drie Goddelijke Personen één van doel, één in macht en één in heerschappij zijn, dan antwoord ik: „Zij zijn één in Wezen en hebben alle Drie dezelfde Wezenseigenschappen gemeen en het grote doel dat een Drieënig God beoogt is de verheerlijking van Zijn Naam in het toebrengen van zondaren.
Mej. G. K. te W. deelt mij mee, dat de dominé, daar ter plaatse in zijn gebed vaak aanhaalt, dat de Zondag de dag des Heeren is, gewijd aan Zijn dienst. Zij vraagt of dit wel recht is, daar zij op school altijd geleerd heeft, dat de namen van de dagen der week ontleend zijn aan de namen der afgoden van onze voorouders.
Antwoord: et laatste is ook waar. De namen van de dagen zijn inderdaad ontleend aan de naam van de Zon, Maan, Tius, Wodan, Donar, Freija en Saturnus. Als echter de dominé de Zondag, de eerste dag der week noemt de dag des Heeren dan bedoelt hij daarmee, dat de Nieuw Testamentische Sabbath geheiligd is door de opstanding van Christus en daarom de dag des Heeren genoemd wordt. Daarin is hij Bijbels, want in Openbaringen 1 : 10 lezen we, dat Johannes in de geest was op de dag des Heeren en dat is de eerste dag der week en die dag heet bij ons Zondag.
Ter aanvulling zij nog medegedeeld, dat in het Oude Testament, die naam ook gebruikt werd om aan te geven, de dag waarop de Heere zal komen en Zich op geheel buitengewone wijze zal openbaren. Jes. 2 : 12 en Joël 2 : 11. De volkomen vervulling van de dag des Heeren zal zijn de dag van de toekomst des Heeren of de „grote dag", waarvan Paulus spreekt in de eerste brief aan de gemeente van Thessalonica: Want gij weet zeiven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1949
Daniel | 8 Pagina's