De taal van 's Heeren gunstgenoten
Als niets hebbende en nochtans alles bezittende. (2 Cor. 6 : 10b.)
Schier elk volk spreekt op aarde haar eigen taal. Door het strafrechterlijk ingrijpen des Heeren, is na de torenbouw van Babel de ene oorspronkelijke taal verbroken en gesplitst. Versplinterd in duizenden talen en dialecten. Ook 's Heeren volk heeft haar eigen taal en haar eigen sprake. Het is de taal van het nieuwe leven, welke de Heilige Geest allen leert spreken, die God roept uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
Vandaar dat Gods kinderen, in hoeveel ook verschillend, hetzij in wijze van opvoeding, hetzij in mate van ontwikkeling, of wat dan ook, toch elkaar zo goed verstaan en begrijpen. De taal van 's Heeren gunstgenoten draagt het onbedriegelijke kenmerk van het paradoxale.
Een paradox is een schijnbare tegenstrijdigheid, die nochtans een hogere waarheid in zich bevat. Merk maar op, hoe gaarne Gods kinderen zich in het spreken over geestelijke ervaringen en leidingen bedienen van scherpe tegenstellingen. Als zij zwak zijn, dan zijn zij machtig, droevig zijnde, zijn zij blijde, als stervende, leven zij. Zij verstaan het woord van Jezus, dat, wie zijn leven zal willen behouden, hetzelve zal verliezen, terwijl zij, die het om Zijnentwil willen verliezen, het behouden zullen. Zo ook met de tekst die wij mogen overdenken. Niets hebbende en alles bezittende. Dat is een paradox. Velen willen het doen voorkomen, alsof er slechts é^n scheidingslijn is, die de mensen in twee ongelijke delen verdeelt; namelijk bezitters en niet-bezitters. De natuurlijke mens kent slechts rijken en armen. Weet ook te vertellen van rijken die arm werden en van armen die rijk werden. Maar van armen die tegelijk schatrijk zijn, zowel als van rijken die tegelijk doodarm zijn, daarvan heeft men nimmer gehoord. Dit paradoxale wordt echter verstaan door de geestelijke mens, die alle dingen geestelijk leert onderscheiden. Zie het eens in Paulus. Wat was hij weleer rijk in vroomheid en ijver. Naar de rechtvaardigheid uit de wet, onberispelijk. Maar op de weg naar Damaskus wordt hem al die ingebeelde rijkdom uit de handen geslagen. Daar werd hij geestelijk arm, toen hij leerde zien dat uit de werken der wet geen vlees kan gerechtvaardigd worden. Daar werd zijn wijsheid, dwaasheid en leerde hij kennen in het licht van Gods rechtvaardigheid dat zijn gerechtigheid een wegwerpelijk kleed was. Toen, ja toen werd hij een arm en verdoemelijk zondaar voor des Heeren aangezicht. Wat ontvielen hem alle vleselijke voorrechten waarop hij zijn hoop voor de eeuwigheid gebouwd had. Hoe bleek het, dat hij met alle wetenschap die hij aan de voeten van Gamaliël verworven had, de hoogste wetenschap miste, namelijk dat hij voor God een verloren zondaar was. Was de Heere hem niet te sterk geworden, dan was hij op die weg gerust blijven voortwandelen. Met al zijn ijver was hij een vervolger van Jezus Christus en Zijn gemeente. Dat toch een ieder het bedenken moge, wie zo arm wordt, wie zo de jammervolle toestand leert kennen waarin elk mens van nature leeft die alleen zal de rijkdommen Gods ontvangen. Hoe groot v/as de genade Gods, die Paulus' ogen opende, niet alleen voor zijn eigen armoede, maar ook voor de rijkdommen van die enige Borg en Zaligmaker, Jezus Christus. Immers, hetgeen hem gewin was, heeft hij leren schade achten om de uitnemendheid der kennis van Christus. Arm in zichzelf is hij rijk geworden in Christus. Wonderlijk toch. Daar is geen armer volk dan Gods volk. Arm aan geestelijke kennis; arm aan gerechtigheid; arm aan heiligheid; arm aan gebedsleven; arm aan lust en begeerte de Heere te vreze en te dienen. En toch! Daar is niet één volk zo rijk als Gods volk. Rijk in kennis en gerechtigheid, rijk in deugd en heiligheid, rijk in gebed en geestelijk leven. Maar dit alles bezitten zij in de Heere Jezus Christus, die hen geworden is, wijsheid van God, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Men spreekt wel eens van mensen, die zelf niet weten hoe rijk zij zijn. Zou het waar zijn? Eén ding is zeker, Gods volk weet zelf niet hoe rijk zij in Christus zijn. Hetzij wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle het eigendom van Gods volk. Want dat volk is van Christus en Christus' is Gods. Hoe zou het toch komen, dat de taal van Gods volk de taal is van de paradox? Zou het niet hierom zijn, dat Gods kind een twee-mens is? Enerzijds is hij uit de eerste Adam, door wiens misdaad en schuld het dodelijk arm is, ja erger nog, waardoor het verdoemelijk voor God is.
Maar anderzijds bezit het de vereniging met Christus door wedergeboorte en geloof, die het geworden is tot een levendmakende Geest.
In Adam arm! In Christus rijk!
Niets hebbende in zichzelf, nochtans rijk in Hem, wiens volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid uit genade wordt toegerekend en door het zaligmakend geloof, gewerkt door Gods Geest, wordt toegeëigend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1949
Daniel | 8 Pagina's