Rondkijk
De maand Juli is de maand, waarbij velen van onze studerende jongens en meisjes examen hebben te doen op H.B.S., M.U.L.O, Kweek-of andere scholen. Drukke maanden van studie gingen er aan voor af (de laatste loodjes wegen zo zwaar!) en dan de spanning of men slagen zal. De gezichten staan strak; het is hen aan te zien dat er wat bijzonders is, want nu zal het er op aan komen. De kansen worden overwogen, de cijfers op de rapporten van de laatste keer waren toch nog al redelijk — met een examen weet men echter niet, waar men aan toe is. Nietwaar, vele onzer jeugdige lezers en lezeressen weten er van mee te praten.
De klem van het leven laat zich al vroeg gevoelen. Het mocht in het jeugdig hart maar zo zijn, dat niet op eigen krachten of op het verstand werd gesteund, maar ook daarin den Heere mocht worden benodigd. Hebben wij Hem niet nodig, kunnen wij Hem aan Zijn plaats laten, dan zijn we eigenlijk fatalisten, gelovers aan het noodlot. Zo het valt zo valt het. Wij kunnen er toch niets aan doen.
Ik herinner mij een Godvrezende Onderwijzer aan een examenklas, die daar anders overdacht. Bij voortduur moest hij zijn leerlingen den Heere bevelen. „U kunt", zo bad hij dan, „de harten van de examinators neigen, dat zij die vragen stellen, die de leerlingen weten, en de leerlingen het verstand geven, dat zij juist weten te antwoorden." Dat is de erkenning van Gods Voorzienig bestel, dat over alle dingen gaat. En ik weet van een Godvrezende Vader — de man juicht nu voor Gods troon — die, wanneer zijn zoons examen moesten doen, hen mee naar boven nam, samen met hen op de knieën ging om de moeilijkheden den Heere voor te leggen en Zijn bijstand te vragen. Dat deed hij in allerlei omstandigheden. Wat moet dit die jongens een stempel op hun leven hebben gezet, wat zullen ze daar vaak aan denken en er kracht uit putten!
Hoe weinig horen we daar tegenwoordig van. Er is zoveel valse schaamte, van ouders tegenover de kinderen en soms ook bij kinderen t.o. de ouders. De Heere toch is de beschikker van ons lot en Hij wil, dat we in die erkentenis en afhankelijkheid leven.
* * *
Als het examen voorbij is en men geslaagd is, begint een nieuwe levensperiode. De schooltijd ligt achter de rug en men wordt in het volle leven geplaatst. Moeilijkheden doen zich soms al aanstonds voor om een geschikte betrekking te vinden. Het beginsel komt daar ook wel eens bij op de proef als het over een betrekking gaat, waar Zondagsdienst aan verbonden is. 't Kan zo mooi lijken en zo jammer, om het voor het half uurtje dienst op Gods dag, eens in de zoveel weken, te laten schieten. Groot is het, als men Gods Wet en inzetting hoger mag achten dan alle tijdelijk goed. Daar zal men altijd gemak van hebben.
Ook, als men van huis af, in een vreemde plaats een dienstbetrekking heeft. De verleiding is zo groot. Toezien, welke vrienden men kiest, met wie men om gaat. De Heere aanschouwt al onze werken. Onze weg niet alleen gaan, maar ons vroeg aan Hem gewennen, om met al hetgeen ons wedervaart, tot Hem te komen, zal ons van veel dat kwaad is weerhouden. In het houden van Gods geboden ligt grote loon.
Mej. P. V. te A. Dank voor Uw brief. Ja, wie langs de weg timmert, heeft veel bekijks! Er staan zaken in waarmee we het eens en waarmee we het niet eens zijn. Een polemiek voeren doen we echter in „Daniël" niet. Uw niewsgierigheid wie Rondkijker is, kunnen we niet bevredigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1949
Daniel | 8 Pagina's