JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Grepen uit de Letterkunde

4 minuten leestijd

(3.) Jacobus Revius II.

Na het gedicht „Oorlog", met zijn fier, krachtig rhythme 1 ), volgt nu een gedicht van grote eenvoud, waarin we de felle beweging, die door de verzen van „Oorlog" gaat, niet aantreffen, maar waarin de regels verlopen als kleine golfjes van een rustige zee. Het opschrift is „Avondgebed."

„De nacht, de moeder van de rust, des hemels grote fakkel blust. Van arbeid zijn de leden moe, de sluimer drukt de ogen toe."

Lees deze verzen2) zacht en rustig. De grote fakkel des hemels, de zon, is geblust door de nacht. Prachtige beeldspraak voor de ondergegane zon! De nacht komt nii heersen over de dag; de nacht, die de rust meebrengt. Het lichaam is vermoeid van 't werken en de ogen vallen dicht: de sluimer sluit de ogen. Nu komt het avondgebed; hoor maar:

„O Hoeder groot van Israël, weest ons een trouwe nachtgezel, en wakker om ons henen ziet, zo vrezen wij de vijand niet."

De stem wordt nu een weinig sterker, en nog een ietsje langzamer klinkt het: „O Hóéder gróót van Israël." In gedachten zien we de dichter de handen vouwen, de ogen zijn gesloten en gelovig klinken de woor-

den helder op. Onwillekeurig herinnert deze tweede strofe ons aan aan de woorden uit psalm 121: „Ziet, de Bewaarder Israëls 2al niet sluimeren noch slapen. De Heere zal u bewaren van alle kwaad." Om de bijstand in de nacht wordt gesmeekt, en als we van die bijstand ons bewust zijn, dan zal geen vijand vrees verwekken. Hier werd dus voor uitwendige bewaring gebeden. Nu gaat in de derde strofe Revius smeken om inwendige bijstand:

„Gij hebt al wat op aarde is begraven in de duisternis, begraaft ook onze zonde boos in uw genade grondeloos."

't Is duister geworden. Alles wat zichtbaar was is verdwenen. Eén ding is nog niet weggenomen: de zonde. Die blijft opwellen als uit een onzalige fontein. Die zonde kan alleen weggenomen worden door de grondeloze genade Gods. Nu vraagt de dichter of ook de zonde te niet gedaan mag worden, zoals in Ps. 25: „neem weg al mijn zonden."

Let bij het lezen op de prachtige woordmuziek: in de vier verzen klinkt telkens de aa-klank helder op, terwijl de sombere o-klank op het eind onbewust het droeve van de zonde naar voren brengt. Het dubbelrijm „zónde bóós-gróndelóós" geeft een sprekend affect. Nu gaat Revius verder en zegt:

„Wanneer het lichaam slapen gaat, de ziele toch niet slapen laat, maar waken tot u alle tijd, die aller zielen Vader zijt."

Hier bidt de dichter wat de bruid in Hooglied 5 : 2 mocht ondervinden: Ik sliep, maar mijn hart waakte." De lichamelijke rust mocht de werkzaamheden der ziel niet doen ophouden. De bruid hield de Bruidegom steeds in haar hart: Word ik wakker, zo ben ik nog bij U." En dan komt het slot:

„Totdat het aardse wederom in zoete slaap ter aarde kom, de geest in volle zaligheid daar haar de rust is toegezeid."

De nachtelijke, lichamelijke slaap zal zolang nodig zijn, totdat de dood zal komen: het aardse, het stoffelijk lichaam-, zal wederkeren tot het stof en in de aarde rusten als in een zoete slaap. „Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven opdat zij rusten mogen van hun arbeid." Maar de geest, dat is de ziel, zal opgenomen worden tot God, in de hemel der heerlijkheid. Daar is de ware rust, door de Heere voorzegd, en door de ziel bij tijden en ogenblikken ondervonden, als ze voorsmaken van die zaligheid mocht genieten. Hier was het maar een kennen ten déle, maar daar zal het de vólle zaligheid zijn. In dit vertrouwen gaat de dichter de nacht in, maar ook de tijd tegemoet om voor eeuwig bij de Heere te zijn.

Nu we dit gedicht in zijn geheel hebben bekeken, is het goed, de verzen nog eens bedaard over te lezen en dan zullen we bemerken hoe schoon en eenvoudig Revius de taal heeft gebruikt om dit innig gebed uit te spreken.

Door de componist Joh. de Zwaan werd Avondgebed vierstemmig getoonzet. (Stemmen des heils, J. Douma, No. 237.)

INDEX.


1) rhythme, spreek uit: ritme; komt van het Griekse woord rythmos = stroom, en geeft de beweging aan die in verzen zit.

2) een versrégel wordt een vers genoemd. Een vers is dus geen couplet, een verzameling van regels.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1949

Daniel | 8 Pagina's

Grepen uit de Letterkunde

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1949

Daniel | 8 Pagina's