Van het Zendingsveld
18. De apostel der Indianen II.
Toen Elliot voor de tweede keer kwam prediken was de belangstelling weer groot. Met aandacht werd naar de „blanke man" geluisterd. Zie daar die oude krijgsman staan! De tranen staan in zijn ogen en hg roept uit: „Is het nog niet te. laat om#de Heere te zoeken? " En een ander barst uit: „Ach, wat ken ik Jezus Christus nog weinig."
Wat werd Elliot hier herinnerd aan de prediking op de Pinksterdag, waar de uitroep werd gehoord: „Wat zullen wij doen, mannen broeders? "
Het opperhoofd en bijna de hele stam gingen over tot het Christendom. Die „bekeerlingen" kwamen nu wonen in een dorp in de buurt van Boston. Er werd een kerk gebouwd en ook voor een school werd gezorgd. Het werd daar een beschaafde kolonie. Elliot predikte niet
alleen, maar hij arbeidde ook. Hij leerde de Roodhuiden het land beter bebouwen. De vrouwen gingen spinnen en manden vlechten. Wat werd het leven nu geregeld in vergelijking met wat het vroeger was! De oude, bijgelovige gebruiken bleven achterwege. Had er vroeger een begrafenis plaats, dan gaven ze aan de gestorvenen spijs en drank mee, zelfs tabak, om in het land waar ze na het sterven zouden aanlanden te kunnen gebruiken. En zie nu, welk een verandering ten goede! Een jaar, nadat Elliot was begonnen te prediken, werd een opperhoofd begraven. Een opperhoofd, dus zéker een massa plechtigheden en heidense gebruiken, zou men denken. En toch, niets van dit alles. Elliot hield een toespraak, waarin hij liet uitkomen dat er in de hemel geen jachtpartijen meer plaats vinden noch krijgstochten meer zijn; dat er ook geen huwelijken meer bestaan, maar dat zij, die verwaardigd worden bij Jezus Christus te komen, als de engelen Gods zullen zijn. Wonderlijk, er kwam geen tegenspraak. Integendeel, alles wat de prediker zei geloofden de mensen.
Na verloop van tijd kwamen verschillende andere stammen Indianen met de roepstem: „Kom over en help ons." En Elliot ging, niets ontziende. Wanneer het ging om de uitbreiding van Gods Koninkrkijk, dan was niets te zwaar of te moeilijk. De levensspreuk van Elliot was: „Gebed en vlijt door het geloof in Jezus vermogen alles." Deze woorden bracht de zendeling in praktijk. Ondoordringbare bossen moest hij doortrekken, rivieren moesten doorwaad, gevaren van de wilde beesten getrotseerd. Zelfs gebeurde het dat een woedend opperhoofd vóór hem stond met minder goede bedoelingen. Eén slag, en het zou met de prediker gedaan zijn. Eén teken of bevel en de krijgslieden, die bij hun opperhoofd stonden, zouden op de weerloze man aanvallen. Elliot was niet bevreesd en was niet weerloos. Hoort hem met bedaarde stem zeggen: „Ik vrees u niet en alle opperhoofden in het ganse land niet, want bij mij staat er Eén, Die machtiger is dan gij allen." En hoe was de uitslag? Elliot werd niet eens aangeraakt. Het woedende opperhoofd werd als een lam, vriendelijk en welwillend.
Hoe groot de ontberingen waren blijkt wel uit hetgeen de zendeling schreef: „Ik ben van Dinsdag tot Zaterdag dag en nacht niet droog geweest, maar doornat van plaats tot plaats getrokken. Als ik mij ter ruste wil neerleggen, ontdoe ik mij van mijn laarzen, wring mijn kousen een weinig uit en trek ze maar weer aan om verder te reizen. Maar God staat mij bij en helpt mij, "
Gelijk bij zovele zendelingen het geval is, had ook Elliot tegenstand te verduren van zogenaamde wonderdokters, die door toverij en goochelarij de mensen van het geloof in Christus trachtten af te trekken, zoals ook Simon de tovenaar de zinnen verrukte van het volk.
Jammer was, dat het bij deze tegenstand niet bleef. Tegenwerking van zijn eigen volk was erger. Vanuit Nieuw-Engeland probeerde men het werk van Elliot te verkleinen, door het praatje rond te sturen, dat de bekering van de Indianen louter verzinsel was, en dat het Elliot slechts te doen was om het geld.
Hoe liefdeloos en ergerlijk! Tegenwerking van openbare vijanden kan men altijd verwachten, maar als de bestrijding van vrienden komt, hoe bitter is dat. David ondervond die ook: „Want het is geen vijand die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen..., maar gij zijt het, o mens! als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!"
Gelukkig ontving de moedige prediker sinds 1649 hulp uit zijn vaderland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1949
Daniel | 8 Pagina's