VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rubriek aan : T. MOLENAAR, Leede 18. Rotterdam-Zuid V ^ J
A. v. d. K. te M. vraagt de betekenis van Obadja vers 23, waar gesproken wordt, dat er heilanden op de berg Zion zullen opkomen.
Antwoord: Willen we deze tekst enigszins begrijpen, dan moeten we eerst iets meedeelen over Obadja en zijn profetie.
Wanneer Obadja geleefd heeft is onbekend, maar zijn optreden valt voor Joëls profetie, omdat, wat hij zegt omtrent het onheil aan Jeruzalem en Juda overkomen, betrekking heeft op de inneming en plundering van de hoofdstad des rijks onder koning Joram. Zijn profetie is een schrikkelijk oordeel over Edom, de nazaten van Ezau, vanwege trotsheid, geweld en wreedheid tegen Gods volk. Voor Israël en Juda zullen tijden aanbreken van verademing en vertroosting, voor Edom niet.
Nu zegt de bovenvermelde tekst, dat God heilanden op de berg Zion zal doen opkomen om Ezau's gebergte te richten. Deze heilanden zijn redders, die evenals een Gideon, Simson e.a. het volk Gods van alle vijandschap en tirannie der vijanden Gods volkomen zullen verlossen.
Hengstenberg 1802—1869, hoogleraar in de theologie te Berlijn, vurig bestrijder van het rationalisme, uitlegger van het O.T. van grote betekenis; die ootmoedig en standvastig beleed het goddelijk karakter der H.S., schrijft naar aanleiding van deze tekst: „Dat onder deze heilanden Christus, de Heere verborgen is en hoofdzakelijk moet worden verstaan, leert ons niet alleen het O.T. volgens hetwelk van zelf spreekt, dat deze heilanden door God gezonden en verwekt zijn, maar nog meer het N.T., want zoals de Heere zegt: „De Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel des Zoons overgegeven". Aan menselijke persoonlijkheden wordt echter alles vastgeknoopt, en hoe heerlijker het aanschouwde heil der toekomst is, de onvoorwaardelijke wereldheerschappij van de Heere en Zijn volk, des te minder kan er aan gedacht worden, dat de profeet de verwezenlijking door een collectief (d.i. door een uit vele personen bestaand wezen) van sterfelijke mensen zonder hoofd hebben verwacht. De pluralis (meervoudsvorm) wijst er op, dat het hoofd niet zonder leden kan worden gedacht." Ook onze „Statenvertalers" gaan dezelfde weg in hun verklaring.
G. te St. M. vraagt volgorde der gebeurtenissen na de geboorte van de Heere Jezus.
Antwoord: Acht dagen na de geboorte van de Heere Jezus de besnijdenis, daarna op de 40ste dag voorstelling in de tempel, dan bezoek van de Wijzen uit het Oosten en eindelijk vlucht naar Egypte.
De moeilijkheid voor u is deze: „Wanneer zijn de Wijzen uit het Oosten gekomen? " Sommige voorstellingen doen de Wijzen knielen in de stal van Bethlehem. Dat is natuurlijk foutief, want in Matth. 2 vers 11 kunt u lezen: „En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeke met Maria enz."
En dat het bezoek heeft plaats gehad, na de voorstelling in de tempel blijkt wel om twee redenen.
Ten eerste is het ondenkbaar, dat Maria en Jozef met de Heere Jezus naar Jeruzalem gingen, juist toen Herodes Hem zocht te doden.
Ten tweede, dat het nog minder denkbaar is, dat Maria het offer der armen brengt, als zij in het bezit is geweest van de kostbare geschenken van de Wijzen uit het Oosten.
D. v. M. te H. vraagt of het bezwaar is, dat aan het recht van de oudste, het eerstgeboorterecht, de belofte van het beloofde Vrouwenzaad, en de zaligheid hing.
Antwoord: Het komt mij voor, dat deze vraag met „neen!" beantwoord moet worden.
Hier volgt de nadere toelichting.
Eerst stellen we nu de vraag: „Wat was onder Israël het eerstgeboorterecht? "
De eerstgeboren zoon was het beginsel der mannelijke kracht, de erfgenaam van het vaderlijk gezag, de pleitbezorger zijner moeder en zusters. Hem kwam een dubbel erfdeel toe en hij was heer over zijn broederen. Was hij de zoon van een koning, dan was hij de aangewezen troonopvolger. Allemaal dus voorrechten, die betrekking hadden op tijdelijke weldaden.
Ezau, die de eerstgeborene was heeft om een schotel linzenmoes het eerstgeboorterecht verkocht en daarmee getoond, dat hij geen geestelijke betrekking had op de komende Messias, Die wat het vlees aangaat het beloofde vrouwenzaad zou zijn.
Wel weet ik, dat de eerstgeborenen van het mannelijk geslacht van mensen en vee, sedert de Heere de eerstgeborenen van Egypte geslagen en die van Israël gespaard had Hem geheiligd, dit is afgezonderd, waren. Zij waren bestemd voor Zijn dienst. Maar dat betekent niet, dat elke eerstgeborene de zaligheid verwerven zou, want zowel voor hem als voor elke andere Israëliet gold, dat hij door het geloof moest zien, door het bloed van het offerlam op de komende Verlosser.
Als de zaligheid verbonden was aan het eerstgeboorterecht dan kwamen wij ook in strijd met de leer der eeuwige, vrijmachtige verkiezing Gods.
't Is wel eigenaardig, dat de Heere dikwijls de eerstgeborene passeert, zelfs in de heilige linie van Christus wat het vlees aangaat.
Rehabeam, Achaz, Amon e.a. zijn daar de bewijzen van.
Calvijn zegt in zijn 3e boek: Ja God schijnt ook in anderen naar bepaalde raad altijd de eerstgeboorte te hebben veracht, om alle stof tot roemen aan het vlees te ontnemen. Met versmading van Ismaël stelt Hij zijn hart op Izak. Met achterstelling van Manasse schenkt Hij meer eer aan Efraïm.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1949
Daniel | 8 Pagina's