HET Atheisme
v.
Godsbestaan niet te bewezen, wèl te geloven
De twijfelaar, die een bewijs vraagt en de Atheïst, die een bewijs eist, worden geen van beiden voldaan, want het is ons onmogelijk HET BEWIJS te leveren. Zo onbillijk het zou zijn om van de Godloochenaar te eisen, dat hij met zijn hand aan de sterren zou reiken, even onbillijk is het, dat hy van ons eist: „Bewijs rajj, dat God bestaat!''
Wanneer wij iets willen bewijzen, dan moeten wij die zaak in onze macht hebben. Zij moet binnen ons bereik liggen en wij moeten er ons zelf van kunnen overtuigen door te geloven aan onze zintuigen. Daarom hebben we reeds dadelijk gezegd, dat het Godsbestaan niet te bewijzen is. Immers, het is ons toch onmogelijk om Hem, de almachtige God, met onze natuurlijke ogen waar te nemen. Ook onze andere zintuigen als gehoor, gevoel, reuk en smaak laten ons dienaangaande in het onzekere. Gods volk ziet Hem echter door het geloof en straks na hun sterven zullen zij Hem zien, gelijk Hij is. (1 Joh. 3:2) Wat zal het daarentegen vreselijk zijn voor die Atheïst om te vallen in de handen van die levende God, wiens bestaan hij wel heeft kunnen loochenen, maar wiens oordeel en vonnis hij toch niet zal kunnen ontlopen. Aller oog zal Hem straks zien, als Hij komt op de wolken des hemels, ook degenen, die Hem doorstoken hebben. (Openb. 1:7) Dan zullen alle goddelozen roepen tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons en verbergt ons van het aangezicht Desgene, die op de troon zit en van de toorn des Lams; want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? " (Openb. 6 : 16, 17).
GOD bewijst ZICHZELF!
Dat God niet te bewijzen is en met niets vergeleken kan worden wordt ons allerduidelijkst in Gods Woord geleerd.
„Bij wie dan zult gij God vergelijken? of wat gelijkenis zult gij Hem toepassen? " (Jes. 40 : 18)
„Bij wie dan zult gijlieden Mij vergelijken, die Ik gelijk zij? zegt de Heilige? " (Jes. 40 : 25)
Hoewel God dus vanwege Zijn Godheid niet bewezen kan worden, zo is Hij toch zo nederbuigend goed en genadig geweest, dat Hij ZICHZELF heeft willen bewijzen, d.w.z. dat Hij Zichzelf aan de mens heeft willen OPENBAREN.
Niet op een wijze echter, zoals de Atheïst of een natuurlijk mens dit zou verlangen. Het heeft Hem behaagd Zich in algemene en bijzondere openbaring kenbaar te maken. De weg, waarin Hij door de mens tot zaligheid gekend zal worden, heeft God Zelf bepaald, nl. door het geloof. Dat dit geloof in God tegelijkertijd bewfls van God is, verstaat de natuurlijke mens niet. Immers, hij begrijpt niet de dingen, die des Geestes zijn; want ze zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. (1 Cor. 2 : 14.)
Dat het geloof een gave Gods is en daarom HET BE-WIJS van de dingen, die men niet ziet, dat weet een Atheïst niet. Dat hij naar een bewijs vraagt, is een bewijs, dat hij God niet kent.
Wilt ge God tot zaligheid leren kennen, dan moet ge gaan naar Gods Woord. Uit de natuur valt wèl te leren, dat God is, maar niet Wie, wat en hoe Hij is en dat laatste kunt ge onder de bearbeiding van Gods Geest leren uit Gods Woord en dat kan alleen tot zaligheid leiden.
Sprake Gods uit de Heilige Schrift.
Als Hellenbroek vraagt: Waaruit weet men, dat er een God is? ", dan geeft hij ten antwoord: Uit de natuur en de Heilige Schrift.'' Raadplegen wij nu die H. Schrift, om God daaruit te leren kennen, dan bemerken we, dat het DOEL van deze Godsopenbaring juist geweest is om de mens de weg ten leven te wijzen. „En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt." (Joh. 17 : 3.)
Allerwege kan men in Gods Woord de sprake Gods vernemen, dat Hij is de Absolute, de Persoonlijke, de Hoge en de Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en wiens naam heilig is. Nochtans woont Hij ook in een verbrijzeld en nederig hart. (Jes. 57 : 15).
Hij is de Ongeziene (Joh. 1 : 18), die een ontoegankelijk licht bewoont (1 Tim. 6 : 16), de Onveranderlijke (Jac. 1 : 17), de Alomtegenwoordige (Hand. 17 : 27), enzovoorts.
Hij woont ook in de persoon van Christus, want Paulus zegt in Col. 2:9: Want in Hem (d.i. Christus) woont al de volheid der Godheid lichamelijk."
Hij woont in de gemeente, dat is Gods kerk. „Weet
gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont? (1 Cor. 3 : 16.)
Ja, tenslotte, Hij woont in het hart van ieder oprecht gelovige. (Joh. 14 : 23.)
Mochten ook wij God zó leren kennen. Van nature woont de Satan in ons hart, doch God is machtig deze sterkgewapende zijn vaten te ontroven. Wat zouden we gelukkig zijn, als Hij, die grote God, Die alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt, ook in ons hart wilde wonen en werken door Zijn Geest.
Voor de kennis van GOD is de HEILIGE SCHRIFT dus voor ons NUMMER EEN. De openbaring van God in het rijk der natuur staat op het tweede plan en deze kunnen we ook weer alleen recht zien, indien we de bril der Heilige Schrift opzetten.
Sprake Gods in de natuur.
Een zcsderlei spraak gaat er uit van de schepping tot lof en eer van haar Schepper. Het worden „bewijzen" genoemd, hoewel het slechts „getuigenissen" zijn, die ons in het geloof aan God als Schepper, Onderhouder en Regeerder van al het geschapene, mogen versterken.
1. Een tweevoudige spraak aangaande de wereld.
2. Een tweevoudige spraak aangaande 's mensen natuur.
3. Een tweevoudige spraak aangaande de mensheid.
Zo is er dus een schone orde in deze 3 paren getuigenissen waar te nemen.
De 6 „BEWIJZEN" voor het bestaan van GOD zijn dan:
1. Het kosmologisch bewijs. 2. Het teleologisch bewijs. 3. Het ontologisch bewijs. 4. Het moreel bewijs. 5. Het religieus bewys. 6. Het historisch bewijs.
Over deze 6 „bewijzen" hopen wij D.V. in een volgend slotartikel iets naders te vertellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1949
Daniel | 8 Pagina's