VAN HET Zendingsveld
Emigratie naar Brazilië I. (13.)
Er wordt weieens opgemerkt dat de kerken der Reformatie zich maar weinig om de zending bekommeren. De Hervorming, zo wordt dan gezegd, had meer te doen met de reiniging der kerk, dan met de uitbreiding van het Koninkrijk. Luther schijnt gezegd te hebben:
„Binnen honderd jaren zal alles voorbij zijn. De stem van God zal worden vernomen: Ziet de Bruidegom komt!" (Opmerkelijk, dat in alle eeuwen de komst des Heeren dichtby wordt gedacht. Het „laatste der dagen" is ingetreden né, de Hemelvaart.) Uit één der gebruikte gebeden van Calvijn „om de genade des geloofs in Christus, niet alleen voor ons, maar voor alle arme, dwalende volken, opdat zij mogen komen tot de kennis van Zijn heilige Naam", blijkt echter wel, dat de grote hervormer het zieleheil der heidenen wèl ter harte ging. We zullen nu zien, dat Calvijn niet alleen bad voor de heidenwereld maar ook zijn medewerking verleende aan een zendingsonderneming in het midden der 16e eeuw.
Het zal ons niet onbekend zijn, dat de hervormden in Frankrijk, Hugenoten genoemd, aan felle vervolgingen bloot stonden. De grote beschermer van die Hugenoten was Gaspard de Chatillon, admiraal de Coligny; die in 1572 in de Bartholomeiisnacht werd vermoord. Deze Coligny had het plan gevormd om voor zijn vervolgde geloofsgenoten naar een nieuwe woonplaats uit te zien. Aan de overzijde van de oceaan was ruimte genoeg. De nieuwe wereld (Amerika) was pas een halve eeuw geleden ontdekt. Op Brazilië had hij het oog gericht, het land, dat Cabral, de leider van een Portugese expeditie, de 23ste April 1500 voor het eerst betrad. Op de 1ste Mei was het nieuwe land al toegevoegd aan de Portugese kroon.
Het plan van Coligny kreeg, , meer bekendheid en een zekere Villegagnon, een vice-admiraal uit Bretagne, had er wel oren naar om leider te worden van de kolonisten. Het kwam goed in zijn kraam te pas, want hij stond niet meer in zo'n best blaadje bij de gouverneur van Bretagne. Om aan zijn eerzucht te kunnen voldoen, vond hij hét raadzaam om niet langer meer in Frankrijk te blijven. Het werd daar voor hem toch niets meer. Om de man te worden moest hij dus wel ernstige pogingen doen om de voorkeur te krijgen als leidsman. De sluwe man begreep wel dat hij daartoe een vurige voorstander moest zijn van de hervorming. Hij moest Calvijn als vriend zien te krijgen, 't Was een klein kunstje om met die grote hervormer in contact te komen. Ze kenden elkaar immers nog uit hun studententijd. Samen hadden ze gestudeerd aan de universiteit in Parijs. De vooroefeningen gelukten best: er werd vriendschap gesloten met Calvijn en wie zou twijfelen aan zijn oprechtheid betreffende de leer van de Hugenoten? Coligny vond in hem de rechte man op de rechte plaats en zo kon het gebeuren dat het plan vaste vorm ging aannemen.
Midden in de zomer van 1555 voeren twee schepen uit Havre met emigranten en soldaten onder leiding van Villegagnon, die zich zélf zocht.
Na vier maanden bereikten ze een eiland in de buurt waar de hoofdstad Rio de Janeiro ligt. Een naam was voor het eiland spoedig gevonden, de naam van de stoere Hugenoot, die het plan had ontworpen: Coligny. Met alle macht werd nu een sterkte gebouwd. Het viel de kolonisten niet mee: hard werken bij een hoge temperatuur en dan nog slecht voedsel! De leider ontzag de werklui niet. Villegagnon was een strenge heer; hij liep over van ijver voor de leer der hervorming. Als weleer tot de Kruistochten werd opgeroepen met het „God wil het", zo gold het ook hier. En zo werd gezwoegd onder moeilijke omstandigheden. Het was voor een goede zaak!
Ruim een jaar na de nederzetting verzocht de leider om nog meer Hugenoten te zenden uit Frankrijk. Het gevolg was, dat in Maart 1557 de kolonie werd vermeerderd met 300 man, waaronder twee predikanten en twaalf studenten. Daarvoor had Calvijn gezorgd. Eén van de predikanten preekte reeds op de dag van aankomst. Dat zal wat geweest zijn voor de Hugenoten! En we kunnen er wel van verzekerd zijn, dat Richer, zo heette de dominé, een aandachtig gehoor zal gehad hebben.
Bij die eerste predikatie bleef het niet. De kolonisten waren niet vertrokken, belust op avontuur, maar vanwege hun geloof. Elke dag werd een preek gehouden, terwijl de predikanten en studenten zelfs onder de heidense inboorlingen Gods Woord spraken, 's Zondags werden twee diensten gehouden. Zo ging het een tijd naar wens, en welk een bemoediging, toen gezien werd, dat inboorlingen tot het geloof in Christus kwamen! Deze vruchten vergoedden al de moeite en opoffering, die de mensen zich hadden getroost, ten volle.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1949
Daniel | 8 Pagina's