VOOR ONZE Militairen
Na de Strijd.
Wanneer dit artikel verschijnt is de politionele actie alweer een week of 5 achter ons. Dat deze actie meegevallen is, is buiten kijf, doch laten we er niet te gering over denken. Het heeft ons volk toch altijd nog een kleine zeventig zonen gekost. Weet ge wat dit voor de achterblijvende wil zeggen? Zijn er onder mijn lezers ouders die wel eens een zoon hebben verloren? Dan is het 100% hoor.
Wie is in staat de oudersmart te beschrijven, die doorleefd wordt bij het verlies van een geliefde zoon.
De liefde is een tere plant. Zeker ik weet het, onze kinderen zijn geleende panden. Zeg lezer, heb je dat in de werkelijkheid al eens doorleefd. Wanneer deze zaken voor ons werkelijkheid worden, dan is er genade voor nodig om bovenstaande waarheid met een oprecht hart te ^onderschrijven. Kijk eens naar David, bij de dood van zijn zoon Absalom. Hij was Absalom maar zo niet kwijt. Ik lees ervan dat hij zeer beroerd was, en dat hij wenende opging naar de opperzaal der poort, en dat hij zeide: mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik, voor U gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!
Hij kon deze zaak maar zo niet overgeven. Wat een zee van tranen is er weer geschreid over deze 70 jongens. Heeft dit helemaal niets voor ons betekend?
We leven zo in een indrukloze tijd. Wanneer het onze deur maar voorbijgaat. We leven zo echt in een Kaïnstijd; „ben ik mijn broeders hoeder? " De zwaarste rampen en de grootste ongelukken zijn we na een dag totaal vergeten. Werkelijk innerlijk, oprecht meeleven wordt toch zo weinig meer gevonden. Ik weet het, met de vertroostingen van de mensen kunnen we het niet doen, want dan zijn we allen nietige vertroosters, maar toch is het onze plicht, een oprechte deelneming en medeleving aan onze mede-mensen in daden te tonen.
Voor zover mij bekend is, zijn er onder ons geen gesneuvelden tot op heden te betreuren. Ik zeg tot op heden.
De zuiveringsacties zijn overal nog niet afgelopen. We hebben maar één kogel nodig, als die ons treft dan kan deze dodelijk zijn. Vreselijke gedachte! Dagelijks vlak bij het gevaar te leven. Dat geldt ook voor ons, want daar is maar één schrede tussen ons en de dood. Wat leven we daar ver af. We leven maar alsof we hier eeuwig zullen blijven, zo wij zeer sterk zijn, kan het tachtig jaren zijn zegt Gods Woord. Naar de mens gesproken en de loop der natuur volgende, zijn de jongens in Indië echter in groter gevaar dan wij hier in Holland. Hoe betamelijk en gepast is het dus om onze jongens maar veel op te dragen aan de troon der genade. De Heere mocht Zich nog eens over hen ontfermen. Ging er geen ontroering door ons bij het vernemen van het bericht dat de actie in Indië weer begonnen was!
Was er die Zondag geen meieven? Hoe is het nu? Na de strijd. Ik weet zeker, dat veel jongens nog in dat zelfde gevaar van toen verkeren. Maar wij zijn er alweer aan gewoon. We beleven toch zo'n droevige tijd. Jongens hoe maken jullie het daarmee ? Me dunkt daar zullen er onder jullie wel zijn, die bij het oprukken, wel een verborgen plaatsje hebben gezocht, al is dat misschien maar gebeurd uit angst voor de dood, uit kracht van opvoeding of uit een verstandelijke berekening. God geve dat het uit andere beweegredenen is geschied.
De dichter van Ps. 51 deed ook een gebed. Hij zegt:
Ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog; Dies ben ik, Heer Uw gramschap dubbel waardig; 'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog; Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.
Dat is de ware gestalte van een oprecht bidder. Die ziet de schuld en oorzaak niet bij een ander doch bij zich zelf. Na de strijd. Hoe staat het er mee jongens. Heb je in die bange uren geen beloften gedaan? O, wat kan een mens al niet beloven als hij het bang heeft.
Hebben we die al ingelost? Of zijn we ze al vergeten? Zijn die op 't slagveld misschien blijven liggen? Dan is het jullie net gegaan als vele zieken. Van hen blijven de beloften ook veelal op bed liggen, indien de Heere genezing komt te schenken. We dragen een hart in ons om jongens, dat arglistig is, dan enig ding. Dan zijn we net als Farao, veel beloven maar als het gevaar, is geweken, laten we niet trekken, en we blijven dezelfde. Dezelfde, dat dacht je maar, want we zijn soms erger dan te voren. Na de strijd. Geen doden onder ons.
Heeft ons dat niet verwonderd? Zijn we beter dan die gevallenen? Ganselijk niet. Het heeft Gode behaagd onze jongens te dragen en te sparen voor het moordend lood. Wanneer er zware tijden zijn voor land en volk houdt men bidstonden, maar zeg eens, hoort men tegenwoordig ook nog van dankstonden! Is daar geen reden voor om die te houden?
Donkerheid bedekt Gods Kerk. Daar is geen doorbreking. Alles zwijgt. Daar gaat van Gods volk geen kracht meer uit. Lees dan Uw geschiedenis en ge zult verbaasd staan. Wee onzer, als de wereld in Kerk en Staat gaat regeren. Daar is niet veel goeds van te verwachten. De Heere schenke ons een nauw leven aan de troon der genade. Hij geve ons mannen, die als wachters staan op Zions muren. Hij doe ons afzien van ons zelf, maar dat wij het oog mochten slaan op Hem die gezegd heeft:
Opent uwe mond; Eist van mij vrijmoedig, Op mijn trouw verbond; Al, wat u ontbreekt, Schenk Ik, zo gij 't smeekt, Mild en overvloedig.
De Heere zij jullie goed en nabij, ook na de Strijd. Hij beware jullie voor rampen of ongelukken, maar bovenal voor de zonden. Vraag veel de Heere of Hij je wil bekeren, dat is het grootste wat een mens op aarde te beurt kan vallen. Vele hartelijke groeten van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1949
Daniel | 8 Pagina's