De regeling van ons KERKELIJK LEVEN
(40)
De artikelen 79 en 80 der D.K.O. handelen over de tucht over de ambtsdragers. Als leden der gemeente zijn zij natuurlijk ook aan de gewone tuchtmiddelen onderworpen. Maar de gewone tuchtmiddelen hebben ook gevolgen voor hun ambt. Daarom komen er voor de ambtsdragers nog een tweetal speciale tuchtmiddelen bij nl. de schorsing van en de ontzetting uit het ambt. Volgens Voetius moet de tucht over ambtsdragers voorafgaan aan de gewone tucht. Is de tucht over de leden noodzakelijk, die over ambtsdragers nog meer, omdat hun verantwoordelijkheid des te groter is. De Heilige Schrift beschermt de ambtsdragers wel tegen lasterlijke en kwade tongen, waaraan zij zo vaak bloot staan. Paulus beveelt daarom Timotheüs: „Neem tegen een ouderling geen beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen." Doch Paulus voegt eraan toe: „Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben."
De tucht over ambtsdragers is noodzakelijk, wanneer zij „een openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is."
Zonden, „die der Kerk schandelijk zijn", zijn b.v. brasserij, dronkenschap, onkuisheid, ontucht, hoererij en overspel; en die „bij de Overheid strafwaardig zijn", zijn b.v. doodslag, meineed, landverraad, diefstal.
De tucht over ambtsdragers bestaat in schorsing of (en) afzetting.
Bij schorsing wordt de ambtsdrager voor een bepaalde tijd de bediening van het ambt ontnomen, bij afzetting wordt hij uit zijn ambt ontzet.
De schorsing behoeft niet altijd door afzetting te worden gevolgd, evenmin is het niet nodig dat aan de afzetting de schorsing voorafgaat. De kerkeraad kan, natuurlijk na nauwkeurig onderzoek, een „voorlopige schorsing" uitspreken, maar moet dan zo spoedig mogelijk met een naast gelegene gemeente vergaderen om de voorlopige schorsing in een officiële te doen overgaan. Voor een algehele afzetting moet het oordeel der Classis gevraagd worden.
In art. 80 der D.K.O. volgt een opsomming van de voornaamste tuchtwaardige zonden bij de ambtsdragers. Alleen de voornaamste zonden worden hier genoemd, hetgeen wel blijkt uit het slot van het artikel: „kortelijk al de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen lidmaat der kerk der afsnijding waardig gerekend zouden worden."
Bij de zonden, die in dit artikel genoemd worden, staat ook blasphemie d.i. openlijke Godslastering; simonie is het aanbieden van geld om geestelijke gaven te verkrijgen. Van al de genoemde zonden moet een ambtsdrager vrij zijn, naar het woord van Paulus: „Niet genegen tot de wijn, geen smijter, geen vuilge-
winzoeker, maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig."
Valse leer of ketterij is, wanneer een ambtsdrager met opzet afwijkt in de fundamentele leerstukken. £een vitterij over een ongelukkig gekozen uitdrukking.
Meineed is valse eed. Mein is een ouderwets woord, dat „vals" betekent.
Bij dieverij is in het bijzonder gedacht aan het bestelen der armenkas door de diakenen. In de oude kerkenorden was een artikel opgenomen over de herstelling van geschorste en afgezette ambtsdragers. Door de synoden van 's-Gravenhage (1586) en Dordrecht (1618—1619) is dit artikel niet weer opgenomen. De réden hiervan is onbekend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1949
Daniel | 8 Pagina's