Het pmtstaan van ons PSALMBOEK
(IX.)
We moeten het nog even weer hebben over de invoering van onze hedendaagse Psalmen in 1775. Zoals we de vorige keer gezien hebben, is dat gebeurd op last van de Algemene Staten, door de Overheid dus. Kerkrechtelijk was dat niet juist. Dat was geen taak voor de Overheid, maar voor een Generale Synode. Anders zijn we terecht gekomen in een „Staatskerk", d.w.z. een kerk, die door de Staat als tak van staatsdienst wordt bestuurd, dus een kerk, waarin de Staat een zeer grote macht uitoefent. Krachtens beginsel hebben we dat af te wijzen. Calvijn heeft _de zelfstandigheid van Kerk en Staat reeds heftig verdedigd. Hij ging daarbij uit van het beginsel, dat het zowel van de Staat als van de Kerk roeping is om de mensen op te voeden tot het geloof en tot onderhouding der Goddelijke geboden. Zij onderscheiden zich echter hierin, dat de Kerk haar gezag over de zielen uitoefent en zich op het eeuwige leven richt, terwijl de Staat met de uitwendige mens te doen heeft en zich richt op burgerlijke en uitwendige rechtheid van zeden. Daaruit volgt als vanzelf, dat Kerk en Staat in elkander ingrijpen gelijk lichaam en ziel. De Kerk mag zich daarbij echter niet mengen in de taak der Overheid en zich alzo niet bedienen van wereldse machtsmiddelen. En de Staat moet volgens Calvijn eveneens op eigen terrein blijven en zich houden buiten hetgeen de taak der Kerk is. De Staat mag dus niet over de Kerk, noch de Kerk over de Staat heersen.
De verhouding Kerk - Staat zag Calvijn in het bijzonder getekend in Samuël - Saul. In een predikatie hierover zegt hij, dat God de Overheid tot regeren geroepen heeft en de Kerk een geestelijke regering heeft gegeven, die van de prediking des Woords, waaraan allen moeten gehoorzamen. Evenals de leden van het lichaam elkaar aanvullen en elkaar niet missen kunnen, zo kunnen ook Overheid en Kerk elkaar niet missen. De Overheid moet luisteren naar Gods Woord, hetwelk de Kerk is toebetrouwd. Dan zal het wèl gaan, zoals het Saul wèl ging, toen hij naar Samuël luisterde. Naar het Woord moet het leven des volks worden ingericht.
Ds Lodenstein schreef: De overheden nemen het recht van de Kerk aan haar die zetten leraren af en dwingen andere aan te nemen, schrijven wetten voor waarnaar zij haar reguleren zullen, suspenderen, deporteren en doen alles, dat nochtans aan de kerk zelf dependeert.
Ds W. a Brakel behandelt in zijn „Redelijke Godsdienst" de vraag, of de Overheden gans geen macht omtrent de Kerk hebben. Zijn antwoord op deze vraag luidt: „Zij hebben gans geen macht in de Kerk, maar omtrent de Kerk, noch hebben ze als heren en meesters te heersen in de Kerk, noch als gezondene dienaars van Christus in Christus' naam te prediken, de Sacramenten te bedienen, de Sleutelen te gebruiken, leraren te zenden, opzieners der Kerk te stellen, te ordineren wat men prediken en wat men zwijgen zal van Goddelijke waarheden, wat fundamentele punten van de Christelijke Godsdienst zijn en welke punten niet fundamenteel zijn, godzaligen in leer en leven onberispelijk en wettig van een Kerk beroepen tot leraars als heer en meester over de Kerk af te keuren, de beroeping voor ongeldig te verklaren en te vernietigen enz. Tot deze en dergelijke zaken heeft de Overheid geen macht, zij tast zodoende de Heere Jezus naar Kroon en schepter. Die het onderneemt, zal het duur genoeg te staan komen. De Heere Jezus is de enige en souvereine Koning van Zijn Kerk, Die daar alleen heerst en daar Zijn wetten geeft, nl. door de prediking des Woords, de bediening der Sacramenten en het gebruik der Sleutelen. De regering der Overheden is van God, als Schepper en Onderhouder en de regering der Kerk is van Christus als Middelaar afkomstig en ingesteld."
Zelfs al zouden we in 1773—1775 een waarlijk Christelijke Overheid gehad hebben, dan nog had die geen bevoegdheid om de Kerk te dwingen nieuwe Psalmen aan te nemen. Brakel zegt: „Of de Overheden heidens dan of ze Christelijk zijn, of ze vrienden of vijanden van de Kerk zijn, dat verandert noch het overheidsambt, noch dat der Kerk; al dat recht, dat een Christenoverheid heeft, heeft ook een heidense. Al wat de plicht is van een Christenoverheid, is ook de plicht van een heidense de Godsdienst vermeerdert noch vermin-dert het gezag en gebied der Overheden
." Tot een juist begrip zij nog meegedeeld, dat de Overheid de ware Kerk moet beschermen en alles in het werk stellen om haar bloei te bevorderen. Zij heeft dit te doen door het rijk van de antichrist te gronde te werpen, maar ook door voedsterheer en zoogvrouwe der Kerk te zijn, opdat er „geen afgoderij zij, noch lasteringtegen Gods Naam en tegen Zijn Waarheid of andere dergelijke schandalen en ergernissen tegen de ware religie openbaar zouden ontstaan." (Calvijn) Zie ook art. 36 Ned. Gel. Bel.
Uit het bovenstaande moge duidelijk geworden zijn, dat onze Psalmen op een onjuiste wijze zijn ingevoerd. Het volk begreep dat maar al te goed en op menige plaats moest met geweld worden opgetreden.
Tegen de inhoud zijn ook wel enkele bezwaren in te brengen. Zo wordt de deugd soms wat al te zeer verheerlijkt, soms geven ze ook niet helemaal de bedoeling van de oorspronkelijke tekst weer. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen, dat men hier en daar nog de voorkeur geeft aan de Psalmen van Datheen.
Tegenwoordig doet men pogingen, om weer een nieuwe berijming te maken en in te voeren. Officieel is hiervan echter nog niets, zodat wij hierover gevoegelijk kunnen zwijgen.
N.B. In no. 8 van dit opstel in „Daniël" van Vrijdag 14 Januari 1949 is een storende drukfout geslopen. Op pag. 131, vierde alinea staat: Na 21 vergaderingen enz. Dit moet zijn: Na 121 vergaderingen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1949
Daniel | 8 Pagina's