VAN HET Zendingsveld
(9.)
De kerstening van Noord Europa (III.)
Druk en vervolging zijn heilzaam voor de kerk: door het woeden van Saulus werden de discipelen verstrooid en werd allerwege de leer voortgeplant buiten Jeruzalem, zoals vliegende vonken bij een brand op meerdere plaatsen branden doen ontstaan. Zo geschiedde het ook tijdens het werk van Ansgar. Toen hij vluchten moest kon een ander gedeelte van N. Europa onder zijn bearbeiding komen. Dit gedeèlte was Zweden, waar toentertijd Bjoern resideerde te Birka.
De reis naar Zweden viel niet mee, want onderweg werd het schip, waarmee de reis gemaakt \tard, aangevallen door zeerovers. Het was de piraten gelukkig niet te doen om het vaartuig, maar om de bezittingen van de passagiers. Van alles beroofd, konden de reizigers hun tocht voortzetten, terwijl de rovers met de buit gingen strijken. De metgezellen van Ansgar voelden er niet veel voor om de reis voort te zetten, maar Ansgars moed was niet in zijn schoenen gezakt en vol vertrouwen op Gods bijstand stelde hij voor om dóór te zetten. Na vele wederwaardigheden kwamen ze in Zweden aan en bereikten de hoofdstad Birka. Enkele jaren mocht Ansgar met veel vrucht getuigen van de enige Weg tot zaligheid gegeven. Er werden verscheidene gemeenten gesticht en tal van kerkgebouwen verrezen.
Toch zou Ansgar niet in Zweden blijven. Hij ontving van de keizer de benoeming tot aartsbisschop van Hamburg. Dit hoge ambt bracht mee, dat Denemarken, Zweden en een deel van N. Duitsland aan zijn zorgen was toevertrouwd. Van rustige arbeid was niet lang sprake. In Zweden werden de voorgangers van de gestichte gemeenten verdreven. De Deense koning Erik I kwam met zijn woeste krijgers een inval in Duitsland doen. Hij drong door tot de koopstad Hamburg, die in handen van de woeste Noormannen viel. De stad werd verbrand (845) en schrikkelijke tonelen waren te zien. Een stroom van vluchtelingen verspreidde zich over het platteland. Vele mensen werden omgebracht of als slaven in boeien meegevoerd. De aartsbisschop Ansgar moest als een bedelaar gaan zwerven. Hij was van alles beroofd. Toch sprak hij in zijn grote ellende dezelfde woorden als weleer Job: „De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij geloofd!"
Bij zijn ambtsgenoot, de bisschop van Bremen, vermocht hij geen troost te vinden. Integendeel, onverschillig en ruw werd hem de deur gewezen. En dat van een bisschop! Tenslotte kreeg Ansgar onderdak bij een weduwe, die van adel was.
Gelukkig, dat licht en donker elkander afwisselen als eb en vloed in de zee. Na de vele ontberingen en teleurstellingen braken voor de zendeling weer betere tijden aan. De bisschop van Bremen stierf en Ansgar werd zijn opvolger. De Deense koning werd hem welgezind en Erik II gaf zelfs toestemming om de klokken te luiden voor de samenkomst der gemeente. Ook in Zweden kwam verademing.
In 850 ging Ansgar voor de tweede keer naar dat land. „Als ik de koning op mijn hand heb, " dacht de zendeling, „dan heb ik al veel gewonnen." Waarschijnlijk dacht hij aan de woorden van de wijze koning: het geschenk verblindt de ogen. Ansgar nodigde koning Olaf ter maaltijd. Bovendien ontving de vorst prachtige geschenken en toen kwam het verzoek of het Evangelie in Zweden ongestoord mocht worden gepredikt. De koning kon niet dadelijk toestemmen, want eerst moest een volksvergadering er in erkend worden. Door het lot zou beslist worden of de God van Ansgar in Zweden gediend zou worden, ja dan neen.
Met vasten en bidden bracht Ansgar de dagen vóór de samenkomst door en met vertrouwen wachtte hij de zaken af. De vergadering werd gehouden, het lot werd geworpen en de uitslag was Christus en niet de goden. Wat een blijdschap voor Ansgar! Maar de vergadering? Hoe ontving die de uitslag? Het merendeel wilde niet toegeven en groot rumoer ontstond onder de aanwezigen. De een riep dit, de ander dat en men kon het niet eens worden. Tenslotte stond een oude man op en onder grote stilte sprak hij: „Hoort mij, koning en volk. Van deze God is het niet onbekend dat Hij helpt die op Hem vertrouwen, en menigeen onder ons heeft het op zee en in andere gevaren erkend. Sommigen hebben zich, ondanks deze leer, naar Dorestad (Wijk bij Duurstede) begeven, doch waarom verreweg gezocht wat ons hier wordt geboden? "
Deze eenvoudige woorden van de grijsaard hadden een grote uitwerking. Ansgar mocht ongehinderd gaan prediken. Koning Olaf liet zich dopen en velen namen het Christendom aan.
Tot 854 werkte de aartsbisschop iiiet grote zegen. Toen keerde hij naar Bremen terug, waar hij bleef werken tot de dood hem op 3 Febr. 865 van zijn post afloste, op 64-jarige leeftijd. „Heere wees mij zondaar genadig. In Uw handen beveel ik mijn geest!" waren zijn laatste woorden.
Koning Erik van Denemarken getuigde van Ansgar dat hij nog nooit zo'n goed man ontmoet had. Heel eenvoudig had hij geleefd, zonder praal en pracht. Evenals Paulus werkte hij met zijn eigen handen. Vaak breide hij netten, terwijl hij zong of las. Velen heeft hij bekend gemaakt met het Evangelie des kruises, kranken werden door hem bezocht en armen vertroost en verzorgd. Wanneer hem werd gevraagd om wonderen te doen, zei hij: „Het grootste wonder dat ik van God begeer is, dat Hij mij waarlijk godvrezend make."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1949
Daniel | 8 Pagina's