Grepen uit de Letterkunde
1. De norm.
Verstand en gaven zijn geschonken goederen, die van God aan de mensen gegeven zijn naar Zijn vrijmacht, aan de één in mindere, aan de ander in meerdere mate. Er zijn mensen die slechts één talent hebben ontvangen, maar sommigen kregen twee, drie, ja zelfs wel vgf talenten. Zodoende hebben we hoge uitblinkers in wijsheid, verstand, wetenschap en kunst, 't Zijn geschonken gaven en daarom is het ten enen male dwaas en
zondig om met het gekregen goed de man of de vrouw te worden. We hebben heus geen reden om met ontvangen gaven in de hoogte te gaan. Op hen, die véél hebben ontvangen, rust een grote verantwoordelijkheid. We mogen de geschonken talenten niet verbergen in een zweetdoek, maar trachten te woekeren met wat we ontvingen met alle inspanning en krachten. Een goede aanleg voor het een of ander moet ontwikkeld zien te worden, maar... en daar komt het schrikkelijke weer te voorschijn: tot welk einde gebruiken we onze talenten? Is het niet dat de grote Ik weer naar voren treedt? „Als God zijn!" is dat de leus niet geworden? „Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten!" zo wordt in hoogmoed en pure vijandschap uitgesproken door een verdwaasd en zichzelf-bedoelend mensenkind.
En helaas, zo zien we op het gebied van wetenschap en kunst, dat de Mens (met een hoofdletter!) op de troon gaat zitten, in hoogmoed voldaan over het zelfgebouwde Babel. Zulke kunst en zodanige wetenschap zijn verre van tot eer van God te zijn. En op Diens eer zal alles gericht moeten zijn. Elke richting in de kunst zal moeten staan in de dienst van Hem, Die de grote Schepper is en Die geprezen móét en zal worden tot in eeuwigheid.
Als de kunst dan niet beantwoorden kan aan het grote gestelde doel, is dan alle kunst te verwerpen? Laten we hierop het antwoord horen van de grote Calvijn. Deze Hervormer zegt: „Wij zullen de schriften der Ouden belangende deze dingen niet kunnen lezen dan mej. een zeer grote verwondering, omdat w r ij die, gelijk ze inderdaad zyn, als uitnemend moeten erkennen. Zullen wij nu iets prijselijk of trekkelijk achten, waarvan wij God niet zouden bekennen te zijn de auteur en oorsprong? Schaamrood moeten wij worden vanwege een zo grote ondankbaarheid, tot dewelke de heidense poëten niet zijn vervallen, want zij hebben beleden dat de filosofie en de wetten en alle goede kunsten vonden waren van de goden. Laat ons niet vergeten dat deze dingen zeer voortreffelijke gaven zijn van Gods Geest, dewelke hij tot gemeen profijt des menselijken geslachts uitdeelt aan wie Hij wil."
En Augustinus schreef: „Gelijk de genadige en bovennatuurlijke gaven de mens na de val zijn ontnomen, alzo ook deze overgebleven natuurlijke gaven zijn verdorven geworden. Niet dat die door haarzelven kunnen worden verontreinigd, voor zoveel als ze van God afkomstig zijn: maar omdat ze de onreine mens onrein zijn geworden, zodat hij daaruit geen lof verkrijgt." Wanneer we in deze rubriek iets zouden aanstippen uit de Nederlandse letterkunde, dan ligt het in de aard der zaak om ons bezig te houden met diegene, die gepoogd hebben hun talent te gebruiken tot algemeen nut en tot eer van Gods Naam.
In onze Nederlandse letterkunde zijn niet veel schrijvers aan te wijzen, die én naar vorm èn naar inhoud de lezers van „Daniël" kunnen bevredigen. Ons land heeft waarlijk mensen voortgebracht, die grote gaven hadden om in proza en poëzie zó de taal te smeden dat we van kunst kunnen spreken. Jammer is dat de meesten öf ongodsdienstig waren óf er een godsdienst op nahielden, die aan de regel van Gods Woord niet voldeed.
Een schrijver die werkelijk kunst kan leveren is een kunstenaar (geen kunstemaker!)
„Een kunstenaar, " schrijft Annie Salomons in een inleiding van een bundel letterkundige opstellen, „is iemand, die niet in wezen anders is dan wij, maar die, begaafd met sterker verbeelding, met scherper en gevoeliger zintuigen, met feller verlangens en dieper belangstelling, het leven, óns leven, ondergaat en weergeeft met een gloed, een kracht, zó meeslepend, dat het ons is alsof we onszelf, ons eigen bestaan, onze omgeving, onze medemensen, nooit hadden gekend, omdat we ze nooit zo diep hadden begrepen."
Volgende keer hopen we bij een letterkundige een weinig stil te staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1949
Daniel | 8 Pagina's