Het doen van belijdenis
Daar thans de tijd weer langzamerhand aanbreekt dat de kerkeraden de gelegenheid openstellen om te gaan ter belijdenis-catechisatie, zien tal van jonge mensen zich geplaatst voor moeilijke vragen. Immers bij diegenen die het niet te doen is „om van de catechisatie af te wezen", maar die er enige indruk van omdragen welke gewichtige zaken gevraagd worden, zullen de gedachten vermenigvuldigen. Daarom had het ons goedgedacht, omtrent enkele van die vragen kortelijks onze gevoelens kenbaar te maken.
1. Waar kan, en moet men belijdenis doen?
De kerk van Christus is onzichtbaar, wat het wezen van de kerk betreft. Dat toch zijn volgens Art. 27, de ware Christgelovigen, dus de inwendig geroepenen door Geest en Woord.
Maar ook heeft die kerk een. zichtbare openbaring in het midden der wereld. Dit doet ons goed verstaan, dat de kerk als zodanig in haar vorm een openbaring is van de onzichtbare kerk. Daar heeft Christus Zijn ambten ingesteld, zodat Christus zelf is de grondlegger van het Instituut der Kerk.
De kenmerken van die zichtbare kerk zijn:
1. De zuivere bediening van het woord. 2. De rechte bediening der sacramenten. 3. De handhaving van de kerkelijke tucht.
Waar dat gevonden wordt daar kan, ja daar moet men belijdenis doen, volgens Art. 28, dat zegt, dat niemand, van wat staat of kwaliteit hij zij, zich op zich zelf mag houden, maar schuldig is zich bij de zichtbare kerk te voegen, om zo doende de enigheid der kerk te onderhouden.
2. Wie zijn tot het doen van belijdenis gerechtigd?
Zij die geboren zijn onder het verbond, en ook door geboorte kinderen der gemeente zijn. Daaruit blijkt dat wij niet door belijdenis lid der kerk worden, maar dat wij dat zijn door onze geboorte. Niet dat wij doornatuurlijke geboorte tot het wezen van de kerk behoren, maar wel tot het instituut der kerk. In de doop nemen de ouders voor hun rekening hun kinderen op te voeden in de vreze en vermaning des Heeren, het welk tevens de roeping der kerk is, omtrent het zaad der gemeente.
Wanneer dezulken tot onderscheid van jaren zijn gekomen, komen zij voor de keus te staan, of alles wegwerpen, en te breken met de kerk, en volop de wereld ingaan, of om door belijdenis de verantwoordelijkheid van hun ouders over te nemen, en door het doen van belijdenis zich te stellen onder tucht en opzicht der kerk, met onderwerping aan de kerkelijke tucht. En tevens als volgroeide leden het kerkelijke recht te ontvangen van de voorrechten van het lidmaatschap. Maar toch met dien verstande, dat bij het kerkelijk recht een Goddelijk recht nodig is, in verband met het gebruik maken van het H. Avondmaal.
3. Waarvan doen zij belijdenis?
Volgens mijn heilige overtuiging kan dat alleen zijn van de ware Christelijke religie, - Ovaarin zij onderwezen zijn. Dat toch kan door de ambtsdragers onderzocht worden of zij daarin zuiver zijn, en zulks met handel en wandel bevestigen. Wie toch kan de harten onderzoeken? Dat is toch het werk des Heeren! Hij alleen kent het hart. Ook de kerkelijke tucht gaat nog alleen over leer en leven, en niet over de inwendige staat des harten. Zou men het aandurven om iemand die al een geruime tijd onder het woord verkeert en onbekeerd blijft, te stellen onder een censuur, ja daarom met de ban uit de gemeente uit te doen? En staat iemand te liegen, als hij openlijk belijdt met een historiëel geloof, dat hij het al voor waarachtig houdt wat God in Zijn Woord getuigt, en belijdt dat aldaar de leer der zaligheid verkondigd wordt? Maar als iemand nu door genade het leven Gods is deelachtig geworden, kan ook die dezelfde belijdenis afleggen, niettegenstaande hij door genade mag behoren tot het wezen der kerk. Meent men dat alleen zij belijdenis mogen doen die volgens Art. 27 ware christgelovigen zijn, dan moet men toch al de zulken voor wedergeboren beschouwen, mitsdien voor ware gelovigen erkennen.
Maar komen wij in strijd met de verklaring van Jezus zelf, die de kerk op aarde in haar uitwendige openbaring, vergelijkt bij:
a. Het visnet, met goede en kwade vissen. b. Wijze en dwaze maagden. c. Koren en kaf op de dorsvloer.
Neen, nimmer heeft zulk een kerk op aarde bestaan, en zal er ook nooit komen. Als dat waar was, beginnende bij eigen gerpeente dan zou het leven naar buiten, en ook in de kerk er anders uitzien.
Staan de dienaren des woords niet als een Ezechiël, voor zich ziende een veld vol dorre doodsbeenderen? Maar omdat de bediening des woords in de zichtbare kerk is gesteld, moeten zij het woord prediken, onder biddend opzien dat Gods Geest dat woord onwederstandelijk toepast en dan zullen de doden horen de^Stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven. Maar zulks was dan niet nodig, als men meent of veronderstelt dat zij al levend gemaakt waren. Hoe groot is dan de behoefte aan het werk van Gods Geest, en volgens mijn heilige overtuiging wordt zulks te weinig beseft. Laten wij toch als dienaren ons vrij maken van het bloed dergenen die aan onze zorgen zijn toebetrouwd. Laat ons er toch rekening mede houden dat wij in die grote dag der dagen rekenschap zullen moeten afleggen. Er is toch geen gewichtiger werk op aarde te bedenken dan om mensen te bearbeideïh voor de eeuwigheid.
4. Welke vragen stellen wij bij het doen van belijdenis?
In onze gemeenten worden gevraagd de vragen achter het kort begrip, of die van Voetsius. Een ieder zie deze maar eens na.
En bij elke belijdenis-afname, eerst voor de kerkeraad na onderzoek van de kennis der waarheid, en na bespreking van de noodzakelijkheid, om die afgelegde belijdenis door Gods genade bevindelijk te leren kennen om clan getroost te kunnen leven, en eenmaal zalig te kunnen sterven, verklaren wij hen dat zij het kerkelijke recht hebben op het H. Avondmaal, ja betuigen hen dat zij er niet los tegen over mogen staan, maar om er gebruik van te mogen maken zij zichzelf voor Gods aangezicht hebben te onderzoeken of zij in het geloof zijn, en of de kenmerken van een waardige Avondmaalganger zoals het formulier noemt, in hen gevonden worden. En wanneer zij het gebruiken, is de volle verantwoordelijkheid voor hen zelf.
5. Hebben zij, die niet behoren tot het wezen van de kerk, maar wel tot het instituut der kerk dan nog voorrechten door belijdenis?
Die voorrechten zijn veel en velerlei. Zij komen onder het visnet, en kunnen gevangen worden. Zij leven onder ambtelijke bearbeiding, en onder de voorbede. Er kunnen onder hen nog uitverkorenen zijn, die moeten worden toegebracht. Zij worden nog naar de verkopers verwezen, en als zij ziek zijn kunnen zij de ouderlingen hunner gemeente roepen, wat niet kan als zij met de kerk breken. Ook delen zij in de stoffelijke verzorging van 's Heeren instellingen, en worden, wanneer zij zich in leer of leven misgaan door het medisch karakter der kerkelijke tucht bearbeid tot hun behoudenis. Maar altijd zal het woord van Christus tot hen gebracht worden, dat alleen door wedergeboorte en geloof, de vereniging met die kerk zal plaats grijpen, die hier wel met een driehoofdige doodsvijand strijdt, maar door en met Christus de eeuwige overwinning zullen verkrij-
gen, om van de strijdende en lijdende kerk over te gaan in de triomferende waar nooit geen zonde meer wezen zal, maar waar Jezus Christus alles en in allen wezen zal. Dan zullen zij, die tot het wezen der kerk geroepen zijn hier op aarde, de kroon werpen aan Jezus' voeten en instemmen met het lied der verlosten: Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed. Dan zal de eeuwige jubeltoon zijn: „Door U alleen om het eeuwig welbehagen."
Ds A. VERHAGEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1948
Daniel | 8 Pagina's