Dankdag
De zomer is reeds heengesneld; De vruchten van de weid' en 't veld Zijn weer verzameld in de schuren De landman rust nu van zijn werk : De klokketoren noodt ter kerk Om God te danken in deez uren.
God gaf de regen op zijn tijd. De zon, die warmte heeft verspreid. Wie zal Hem ooit naar waarde danken ? De dankstond, een Novemberdag, Die slechts een vorm nog wezen mag : t Zijn veeltijds niets, dan holle klanken.
Met Jezus mogen we misschien Wel vragen : ..Gaf God niet aan tien Verbeurde, doch onmisb re zegen ? En kwam daar, dankend met geween Die vreemd' ling? Kom er dan slechts één ? Waar toeven dan de and re negen ? '
Want God bewees ons Zijn gend Om t offerbloed van Golgotha ! Geen jaarseizoen zal er verdwijnen l Zolang de wereld zal bestaan Zal a lies in zijn orde gaan En t stralend zonlicht blijven schijnen !
Wie. keert met weldaón van den Heer Eens in zijn eigen boezem weer ? Was Nederland dit nog wel waardig ? Als God, tot onze zondestraf Geen voedsel, noch geen drank meer gaf, Was dan ons vonnis niet rechtvaardig ?
Voorbij is oogst en zomertijd, Maar ach, nóg zijn we niet bevrijd, De breuk van Neêrland niet genezen ! — ..Heer, schenk gena in deze tijd De ziel, die Uwe komst verbeidt: Dan zal het eeuwig , , Dankdag' wezen!'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1948
Daniel | 8 Pagina's