Reformatie
„Deze leer zal na onze dood weer verduisterd worden. Men zal het pausdom weer op de stoel zetten. Er zal een-grote duisternis komen en dan zal de jongste dag inslaan." (Luther.)
De laatste dag van de Octobermaand doet ons steeds denken aan de Hervorming, en de persoon van Maarten Luther komt ons voor de geest. Wij denken aan hetgeen op die dag is gebeurd, maar meestal is ons begrip omtrent de Hervorming zo eng. De gedachtengang is veelal: de Middeleeuwse Kerk lag in diepe duisternis verzonken en ziedaar, , plots schijnt de klaarheid van het Evangelie en verbreekt de donkere nacht. Sindsdien is het licht gebleven in de kerken der Reformatie, Deze voorstelling is min of meer scheef getrokken, Luther en Calvijn waren de mannen niet, die een nieuwe Kerk gingen stichten. Zij en de andere hervormers wisten niet waar ze zouden uitkomen. Luther was helemaal niet van gedachten dat hij zou worden uitgeworpen, en dat er een scheur zou komen, die heden ten dage nog niet is geheeld. Zij wilden en moesten de Kerk her-vor-men; wijzen op de gebreken en trachten die weg te nemen; de Kerk moest weer worden zoals voorheen, staande op de grondslag van het onbedrieglijk Woord van God, waarin de Apostelen waren voorgegaan, toen overal kerken werden gesticht.
De Kerkhervorming is niet een werk van mensen. Reformatoren worden door God verwekt om het middel te zijn waardoor de Kerk geleid zal worden in die banen, waarin de Koning der Kerk in Zijn Voorzienigheid heeft besloten.
De grote belofte, aan de Kerk gegeven, is: „Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld." In de Middeleeuwen was de Kerk er óók. Voor die donkere tijd gold die belofte ook. En de leden van die Kerk hebben het ondervonden, toen de brandstapels rookten en alom dreiging en moord waren, dat zij niet werden verlaten, maar dat ze door het geloof bespottingen en geselingen hebben geproefd, en ook banden en gevangenis; verlaten, verdrukt en kwalijk behandeld zijnde.
Als de Roomsen vragen: „Waar waart gij voor de tijden van Luther en Calvijn? " dan geeft Smytegelt o.a. dit als antwoord: „Gijlieden behoeft het ons niet te vragen waar de Kerk was; vraagt het uw beulen; vraagt het uw schavotten en brandstapels; laten die spreken. Gaat eens in Piemont, en ziet eens, hoe die duif daar zit te kirren tussen de kloven der steenrotsen. Waar blijft een papist met Johannes Hus, met Hieronymus van Praag, die de leer van de antichrist, met mond en pen, tegensprekende, door het pausdom, tegen het gegeven woord en trouw, levend aan de brandstaak zijn gezet? Waar blijft een papist met Wiclef en zijn navolgers in Engeland? Waar blijft hij met zo vele andere vrome en deftige mannen, die van tijd tot tijd de leer van de antichrist openlijk hebben tegengesproken, en hun geloof, als waarachtige martelaars, met hun bloed bezegeld hebben? "
Door al de eeuwen van de Kerkgeschiedenis heen heeft God mannen verwekt, die getuigenis hebben gegeven van de hoop die in hen was. Ze hebben de kracht van Boven ontvangen om te strijden tegen de dwalingen, om de Kerk te leiden in de zuivere banen. Gelijk bij Paulus en bij allen, die door de Heilige Geest geleid worden, het vlees begeert tegen de Geest en de Geest tegen het vlees, zo zal binnen de Kerk de strijd blijven woeden tussen de krachten van het vlees en de werkingen van de Geest. Wil de Heere Zijn Kerk naar Zijn welbehagen in de duisternis leiden, dan zullen de werken des vleses de overhand hebben; maar behaagt het Hem voor Zijn gemeente een zangtijd aan te doen breken, dan zullen nietige mensenkinderen gebruikt
worden om tegen de werkingen des vleses in te gaan en dan zal de invloed des Geestes zo'n overwicht krijgen, dat er op alle terreinen des levens hervorming komt. Zulke werktuigen in Gods hand worden met genade en grote gaven bedeeld om het voor de eer des Heeren op te nemen, zodat ze getuigen moeten: „Ik kan niet anders. God helpe mij!"
De Hervormers wisten dat zij door de kracht van de Heilige Geest konden en moesten strijden, de strijd des geloofs. Ze begrepen heel goed dat de Kerk terug zou vallen wanneer de Heilige Geest niet meer zo werken zou en dat dan de oude dwalingen, soms in een nieuw kleed, weer als een vanzelfsheid zouden terug komen.
Wat de Heere in onze tijd met Zijn Kerk vóór heeft kan niemand zoggen. Het is de eeuwen door eb en vloed geweest, maar onwrikbaar blijft staan in Mattheüs 28 : 20: En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld."
N.B. In een volgend nummer hopen we U enkele flitsen uit Luther's leven te geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1948
Daniel | 8 Pagina's