ONZE JONGENS EN DE AMBTSDRAGERS
We willen in dit artikeltje eens spreken met elkaar over de vraag: „Hoe moeten onze jongens staan tegenover hun ambtsdragers? "
Nu moeten we deze vraag niet verkeerd opvatten. In feite is er natuurlijk geen verschil in de juiste houding van jongeren en ouderen tegenover hen, die met een ambt in Gods Kerk bekleed zijn. Deze houding is die, welke ons naar Gods Woord wordt voorgehouden in het formulier van bevestiging der Ouderlingen en Diakenen. Laten we dit mooie formulier en dan inzonderheid de vermaning daarin maar eens lezen.
Maar toch is er voor de jongeren (voor wie we toch allereerst schrijven) nog wel iets aparts te zeggen. Ook al omdat zij nog op een aparte manier met de ambtsdragers te maken hebben.
Allereerst als vereniging. Ieder J.V., die aangesloten is bij het Landelijk Verband, heeft in haar statuten staan, dat ze onder toezicht staat van dc Kerkeraad ter plaatse. Nu zou men kunnen zeggen: Dat is eigenlijk overbodig om dat apart te vermelden, want zij staan als (doop)leden allen onder het opzicht van de Kerkeraad en dus vanzelf ook als vereniging. Toch is het goed, dat hieraan nog eens herinnerd wordt. En laat het ook in praktijk gebracht worden. Ik denk hier speciaal aan de volgende dingen: het aanwijzen van de leiding (de voorzitter), toezicht op de bibliotheek, het al of niet houden van een openbare vergadering en de regeling daarvan enz. En nu kan het best zijn, dat de Kerkeraad iets wil, dat de jongens minder prettig vinden, of andersom dat de jongens iets willen waartegen de Kerkeraad meent bezwaar te moeten maken. Laten we ons dan toch onderwerpen, al mogen we natuurlijk op een gepaste wijze onze verlangens en bezwaren kenbaar maken.
Velen van onze ambtsdragers staan nog huiverig tegenover onze J.V.'s en hun werk en dat is volkomen verklaarbaar, hoewel erg jammer. Laten onze J.V.'s toch door hun houding zorgen een plaats te krijgen in de gemeente. Dan zal er ook bij de Kerkeraad belangstelling komen voor dit werk en — dat heeft de ervaring geleerd — dan volgt ook de waardering.
Er is tegenwoordig nogal eens gepropageerd om er toch vooral voor te zorgen dat de jeugd in de Kerkeraad vertegenwoordigd zou worden, want anders werd de jeugd in zijn plannen en idealen maar geremd door die conservatieve ouderen. Zeer terecht is daartegenover opgemerkt dat men de jeugd juist tekort zou doen door hen de leiding van de ouderen te onthouden, die zoveel meer levenservaring hebben. Wat niet wegneemt, dat het gelukkig is als er onder die ouderen zijn met een jong hart, die nog weten wat er leeft in een jeugdig gemoed.
Maar ook persoonlijk krijgen onze jongens te maken met hun ambtsdragers. Ieder heeft zich gewillig te steilen onder hun opzicht en regering. Ook als het mensen zijn met gebreken. Trouwens, dat zijn het allemaal. Lezen we slechts in Gods Woord, welke mensen de Heere in Zijn dienst wilde gebruiken. Och, ik denk dat er heel wat bij zijn, die wij nooit op de lijst zouden plaatsen. En nu worden de zonden der Bijbelheiligen ons niet beschreven om daaruit oorzaak te nemen voor een slordige levenswandel en het is als een groot voorrecht te achten als de Heere ons ambtsdragers schenkt die begiftigd zijn met gaven en genade en een sierlijke levenswandel.
Maar we moeten nooit vergeten, dat we iemand die langs wettige weg door de Gemeente en mitsdien van God Zelf tot een ambt geroepen is, om en in zijn ambt hebben te eren. En het is een droevig verschijnsel in deze tijd dat men zo gemakkelijk — zelfs tot buiten de gemeente soms — de gebreken der ambtsdragers
durft uit te dragen. Er moest meer gebed gevonden worden voor hen die op zulk een zware post staan. Dan heeft de ervaring het geleerd dat iemand die als mens veel gebreken en als ambtsdrager weinig gaven had toch door de Heere gebruikt kon worden om zielen te onderwijzen.
Hoe we ons te gedragen hebben tegenover onze ambtsdragers op de catechisatie, daar behoef ik niet over te spreken, maar ik wil er met nadruft op wijzen: Lees toch de ernstige vermaning die er voor in het boekje van Hellenbroek staan. Als meer beoefend werd wat daar staat, wat zou er dan een vrucht van de catechisaties kunnen uitgaan.
Ook op het huisbezoek krijgen onze jongens met de ambtsdragers te maken. Ik behoef toch niet te wijzen op de totaal verkeerde gedachte dat de jongeren daar tóch niet bijhoren? Neen, het huisbezoek is niet alleen voor vader en moeder, maar voor het hele gezin. Zoeken wij ons daaraan te onttrekken? Hebben we er geen tijd voor? Het is tot onze eigen schade. Bedenken we toch, dat de Heere Zelf door middel van zijn knechten ons daar komt bearbeiden in betrekking tot ons eeuwig zielenheil. Zullen we dat moedwillig verachten?
En als we er — soms gedwongen — onder zitten, drukt dan onze houding onze innerlijke onwil uit om de gesprekken aan te horen ? O, wat moet menige ouderling klagen over een behandeling die hen schier moedeloos maakt bij hun gewichtige en veelomvattende arbeid. Dat is erg en toch nog het ergste niet. Het ergste is, dat op dezulken als zij zich niet bekeren van toepassing is het woord uit Spreuken 1 vers 24 enz.: „Dewijl Ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, Mijne hand uitgestrekt heb en er niemand was die opmerkte: en gij al Mijne raad verworpen en Mijne bestraffing niet gewild hebt; zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen, Ik zal spotten wanneer uwe vreze komt."
Wordt ons wat gevraagd, laten we niet zwijgen, maar antwoorden; eerlijk als in de tegenwoordigheid Gods. Er is soms een verkeerde gedachte, dat men alleen wat zeggen mag als men iets „heeft". Doch het niet-antwoorden ontmoedigt de ouderlingen en maakt het hen onmogelijk ieder te behandelen overeenkomstig zijn toestand.
Tenslotte worden we, als we belijdende leden der gemeente zijn, mede geroepen tot dat gewichtige werk: de verkiezing der ambtsdragers. Wordt dit gewicht wol steeds goed beseft? Wordt het aangezicht des Heeren wel gezocht eer onze stem wordt uitgebracht? Laten we toch wars zijn van alle stokerij en het smaken van afspraken om bepaalde ouderlingen wel en andere niet verkozen te krijgen. Dat is tegen de goede orde in Gods Kerk. En hoewel de Heere de ambtsdragers kiest dwars door alle menselijke kuiperijen hóen, toch kan het ons niet onverschillig zijn, hoe we ze ontvangen.
Binde de Heere ons het gewicht van deze dingen op het hart en zij er behoefte om veel onderwijs te ontvangen van Hem, van Wien getuigd mag worden: Wie is een Leraar gelijk Hij? Wien het echter behaagd heeft zich daartoe in de middellijke weg ook te bedienen van de ambten in Zijn Kerk op aarde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1948
Daniel | 8 Pagina's