50 JAAR KONINGIN
1898-1948
„O God!, wij gedenken Uwer weldadigheid in het midden Uws tempels."
Zo riep de dichter van Ps. 48 uit.
En ook wij hebben reden te over, om de weldaden Gods te gedenken in het Huis des Heeren, straks, als we herdenken wat Hij ons schonk in 't Oranjehuis en in onze geliefde landsvrouwe.
Maar het is een verheugen met beving.
Want als we zien op de zonden van land en volk, ook op de zonden van ons Vorstenhuis, dan beeft het hart, als we aan de toekomst denken !
Toch is het een gebeurtenis waardig herdacht te worden. Nimmer toch in de voorbije eeuwen heeft een telg uit het huis van Oranje zulk een jubileum mogen vieren. En ook...... hoe weinig regerende vorsten in 't verleden en heden viel zulk een weldaad te beurt.
Wilhelmina, onze koningin! Vele tientallen jaren liet ieder rechtgeaard Nederlander, waar ook ter wereld hij zich bevond, op 31 Augustus z'n gedachten een ogenblik vertoeven bij de doorluchte Landsvrouwe, bemind om haar persoon en om der vaderen wil.
Om haar persoon'. Laten we toch waarderen, dat we 50 jaren een vorstin hebben gehad, eenvoudig, niet spilziek en rein van zeden. Wie de geschiedenissen leest van andere vorstenhuizen weet, dat menig koninklijk hof een poel was van ongerechtigheden waar overdaad en verkwisting hoogtij vierden.
En sla dan gade de levenswandel van onze landsmoeder. Opgevoed door een voortreffelijke moeder — de onvergetelijke Emma — is ook zij in 't voetspoor van de „koningin-moeder" voor ons ganse volk een voorbeeld geweest In reine levenswandel. Bemind ook om der vaderen wil.
Nimmer kunnen we dankbaar genoeg zijn voor wat de Heere ons in 't Oranjehuis geschonken heeft.
We willen niet in 't voetspoor van Jan de Wit uit gaan rekenen, wat het Oranjehuis ons kostte. Alsof het bloed van 20 nazaten van Juliana van Stolberg met geld te betalen ware.
Denk eens aan Vader Willem! Niet in de eerste plaats vrijheidsheld, neen, een geloofsheld is hij geweest, hoewel de humanisten en Roomsen dit niet willen erkennen. Hij is het geweest, die eer, macht, rijkdom, een rustig leven, ja zelfs zijn harte-bloed heeft gegeven om ons volk vrij te vechten van Spanje, maar vooral ook van Rome.
Was Willem van Oranje er niet geweest, dan zouden wij, evenals België, naar de mens gesproken, nimmer een Protestants volk zijn geworden, maar een Roomse natie zijn gebleven. (Tot hoelang nog? Hier vermenigvuldigen zich de gedachten.)
Een nazaat ook van Jan van Nassau.
Immers, de kleinzoon van Jan van Nassau, Willem Frederik, stadhouder van Friesland, Groningen en Drente, huwde 2 Mei 1652 met Albertine Agnes, dochter van Frederik Hendrik. Hier vloeit de geslachtslinie van Willem de Zwijger samen met die van Jan van Nassau, de Calvinist onder de Oranje's. Maar al te wenig zijn onze mensen op de hoogte van de grote verdiensten van deze zoon van Juliana van Stolberg,
En nu mag dan de verre nazaat van deze twee kloeke mannen haar jubileum vieren. Tevens het einde van haar regering. De ouderdom en de grijsheid is daar. We behoeven het ons niet te verhelen; Koningin Wilhelmina, straks „Prinses der Nederlanden", ziet met rasse schreden het ogenblik naderen dat ook Zij zal moeten verschijnen voor die grote witte troon, waarop Hg zit, Wiens ogen zijn als vlammen vuurs. Mocht in Haar laatste stonden de stervensbede van Vader Willem in waarheid en oprechtheid de Hare zijn: O God, ontferm U over mijn arme volk, ontferm U over Mijn arme ziel en mocht door genade deze bede aan 't hemelhof verhoring vinden.
Jongens en meisjes, lezers en lezeressen van Daniël. Hoe zult gij straks dit regerings-jubileum vieren? Toch niet in brooddronkenheid en Oranjejool? Denkt er om, de wereld ziet op ons! Bedroeft uw ouders, bedroeft Gods volk, bedroeft bovenal de Heere niet door ijdelheid en lichtzinnigheid, en ontbreekt zeker niet in Gods Huis, als we straks, D.V. 31 Aug. de weldadigheid des Heeren gedenken in het midden Zijns Tempels.
De vorst of vorstin, die regeert overeenkomstig de grondwet, kan vergeleken worden bij een veiligheidsklep en een wegwijzer. Zo'n vorst of vorstin is de verpersoonlijking van de eenheid des volks.
De macht van een constitutionele vorst is beperkt; de macht van een absolute monarch is groter. Toch moeten we bedenken, dat zo'n laatste vorst evengoed raadslieden nodig heeft, die wellicht bij zo'n regeringsvorm vleiers zijn en de vorst naar de mond zullen praten. Een volksvertegenwoordiging (le en 2e kamer) is er dan niet, die # de vorst opmerkzaam maakt op de fouten.
Als we dit alles nagaan, moeten we wel tot de conclusie komen, dat de regeringsvorm, die we deze 50 jaren onder Koningin Wilhelmina hebben gehad, heus nog niet de minste is'. Maar niet alleen de vórm van regeren, maar ook de persóón die regeert, is een belangrijke factor. En dan mag ons Nederlandse volk zich gelukkig prijzen, dat het een halve eeuw geregeerd is geworden door een Vorstin, zoals Koningin Wilhelmina is geweest. Bij al de persoonlijke gebreken en tekortkomingen; bij al de zaken die geschied zijn, waarover een gedeelte van ons volk bedroefd is, omdat het dingen waren die indruisten tegen het Goddelijk Gebod, moeten we toch dankbaar zijn, dat de Heere ons Haar heeft gegeven, als nazaat van de roemruchtige Oranje's.
Zij, die Koningin Wilhelmina als vorstin van dichtbij hebben gekend (ministers b.v.), getuigen dat zij met kleine onderdelen van het behandelde onderwerp (waarvoor de minister ter conferentie was genodigd) op de hoogte was. Uit heel de beraadslaging bleek, hoezeer ze met haar volk meeleefde; hoe groot haar bezorgdheid was bij voorkomende rampen en hoe groot haar kennis en heldere kijk op de zaken waren.
Prof. Aalberse, die minister was van 1918—1925, vertelt: „Ik mag hierover geen mededelingen doen, maar wel moge 't mij veroorloofd zijn openhartig te zeggen, dat ik in de zeven jaren van mijn ministerschap door talrijke conferenties (soms wel drie in één maand, en in November 1918 zelfs drie in één week) vervuld werd met stijgende, eerbiedige bewondering voor onze Koningin, wier diep gevoeld plichtsbesef, uitgebreide kennis, practische zin, ongelooflijk sterk herinneringsvermogen zelfs voor kleine feiten, fijn intuïtief aanvoelen van wat bij ons volk leeft en (bij alle Koninklijke Hoogheid) vriendelijke voorkomendheid, een onuitwisbare indruk op mij hebben gemaakt."
We hopen, dat de nieuwe Koningin de regeringstaak even goed mag vervullen als haar Moeder, en dat ze bewaard mag blijven voor openbare zonden, tot heil van ons volk.
Dat moet toch wel een bijzonder lied zijn, een lied dat zowel in dagen van vreugde als van smart onze nationale gevoelens weet te vertolken.
Inderdaad is het dat ook. Ons volkslied bij uitnemendheid! Niet als zodanig gemaakt, maar geboren. Het voert sprekende in de man die wij eren als de Patris Patriae, de Vader des Vaderlands, onze geliefde Prins Willem I. Neen we zijn niet blind voor zijn fouten, maar toch erkennen we dankbaar wat God in hem ons geschonken heeft. De Heere heeft zijn lot van zijn geslacht verbonden met dat van ons volk. Het Wilhelmus voert ons terug naar de bange dagen van onze landsgeboorte, meer bijzonder het jaar 1568. De Prins, gevlucht zijnde buitenslands voor de komst van de nietsontziende tyran, wendt pogingen aan om ons volk uit de greep van deze geweldenaar te verlossen. De eerste overwinning bij Heiligerlee kost aan Graaf Adolf het leven en heeft geen blijvende gevolgen om-
dat kort daarop Lodewijk bij Jemmingen door Alva verslagen wordt. De Prins trekt met een groot leger (dat ten koste van grote offers verzameld is) de Maas over, maar Alva ontwijkt de slag. Geldgebrek noopt de Prins zijn leger af te danken. De vijand juicht en bespot de Prins, die als een balling rondzwerft buitenslands. De pas aangevangen worsteling leek tot mislukking gedoemd.
Het Wilhelmus vertolkt nu de gevoelens van de Prins in deze dagen: gevoelens van teleurstelling en diepe verslagenheid, maar ook van ootmoedige onderwerping aan Gods Heilige Wil en vast vertrouwen op de Goddelijke bijstand voor de toekomst.
Daarom kunnen we ons volkslied altijd zingen. Ook in dagen als nu, waarin zeker wel reden is om ons volk toe te roepen: „Verheug U met beving". Want ons volkslied getuigt van diepe levensernst. Het is daarom ook niet zonder reden dat U alle coupletten van dit lied afgedrukt vindt. Het houdt de aansporing in: Leer ons volkslied kennen in zijn geheel! Zing ons volkslied! Zing het goed! Betoon eerbied voor ons volkslied, iets waarin buitenlanders (hoewel zij vaak een volkslied hebben van minder gehalte dan het onze) ons veelal een beschamend voorbeeld geven.
Bij het lezen van ons Wilhelmus stuiten we vaak op zinswendingen die ons onbegrijpelijk voorkomen. Dit is deels vanwege de verouderde taal, deels omdat er historische gebeurtenissen aan ten grondslag liggen die we niet voldoende kennen. De hieronder volgende paraphrase (= verklarende omschrijving) wil U bij het lezen van het gehele Wilhelmus behulpzaam zijn 1 ). We volgen daarbij.de 15 coupletten op de voet:
1. Mijn naam is Willem van Nassau en als zodanig ben ik van „Duytsche" (dat is: Nederlandse) bloede. Wel krijten de Spaansgezinden mij uit als een buitenlander, omdat ik in Dillenburg geboren ben, maar de Nederlandse bezittingen van mijn voorgeslacht, de Nassau's, zijn al sedert 1403 belangrijker geweest dan de Duitse (= Hoochduytsche!). Aan mijn (Nederlandse!) Vaderland wens ik getrouw te blijven tot in de dood. Ik ben Prins van Oranje en ook die naam draag ik met ere, want ik ben dapper, evenals mijn neef Prins René van Oranje die zo dapper voor Karei V gestreden heeft en wiens erfgenaam ik ben. Tenslotte hebben mij de Spaansgezinden beschuldigd van een zwaar vergrijp: felonie, dat is trouwbreuk jegens mijn wettige leenheer. Doch dit is onwaar: Ik heb de Koning van Spanje altijd geëerd.
2. Omdat de vreze Gods mij belette de bloedplakkaten te helpen uitvoeren, ben ik verdreven en van Land en Volk (Luyden r=: lieden) beroofd. Maar God zal mijn zaken zo besturen, dat ik als een goed werktuig in Zijn Hand zal wederkeren tot de wettige regering over mijn erflanden, (regiment — regering.)
3-Al moet gij, mijn rechtgeaarde onderdanen, nu veel lijden, God zal U niet verlaten. Laten de vromen in het land God nacht en dag bidden, dat Hij mij kracht geve tot Uw hulp.
4. Mijn leven en mijn goederen heb ik om Uwentwille niet ontzien. Heb ik niet al mijn bezittingen daartoe verkocht? Ook mijn adellijke broers hebben diezelfde offervaardigheid betoond, terwijl Graaf Adolf het leven liet in de slag bij Heiligerlee (gelegen in de Groningse Ommelanden, toen gerekend tot Friesland). Ik geloof dat zijn ziel in de eeuwige heerlijkheid is en met verheuging de jongste dag verbeidt.
5. Ik ben een afstammeling van Adolf van Nassau, die in 1292 tot Keizer gekozen was van het Duitse Rijk (doch in 1298 sneuvelde ir> de strijd met zijn tegenkeizer). Als een vroom Christen heb ik voor het onvolprezen Woord van God mijn leven gewaagd, heldhaftig, zonder vrees.
6. Gij, Heere, zijt mijn schild en mijn betrouwen. Ik wil mij alleen op U verlaten. Verlaat Gij mij dan niet, maar laat „de vroomheid 2 ) mij behoeden", opdat ik mij steeds Uw dienaar wete en zo de tyrannieke regering des lands verdrijven moge, die mij zo zeer grieft.
7. Mijn God, wil mij, Uw trouwe dienaar, bewaren voor allen die mij verdrukken en vervolgen. Dat zij mij in hun boosheid niet overvallen en hun handen — naar de heersende barbaarse zede — niet wassen in mijn onschuldig bloed.
8. Zoals eenmaal David voor Saul, moeten nu vele Edelen met mij vluchten voor de tyrannie van Alva. Maar God heeft Davids lot gewend en hem groot gemaakt als koning van Israël.
9. De Heere zal mij na 't zure het zoet geven. Daarnaar verlang ik, dat ik mag sterven op het veld van eer in de strijd voor mijn verdrukte onderdanen, om dan als een Held des geloofs het eeuwig Koninkrijk te ontvangen.
10. Meer dan mijn eigen tegenspoed wekt het mijn deernis op dat de goede (Neder)landen des Konings zo verarmen en dat de Spanjaarden U zo krenken. Mijn hart bloedt als ik daaraan denk.
11. Ik heb, als Prins, mijn legermacht aanvoerend, verwacht slag te leveren met de tyran Alva, die zich verschanst had bij Maastricht. Zag men mijn ruiters moedig door 't veld draven, Alva ontweek de slag uit vrees voor mijn krijgsmacht.
12. Als het de wil des Heeren was geweest zou ik U toen (bij mijn inval in Limburg) van Uw grote onheil verlost hebben. Maar de Heere Die alle dingen regeert, heeft het niet gewild, (tempeest = storm.)
13. Ik heb mij steeds Prinselijk gedragen en ben in tegenspoed standvastig gebleven. Ik heb de Heere gebeden of Hij mijn twistzaak wil rechten en mijn onschuld bekend maken.
14. Vaarwel mijn arme schapen, die met mij gevlucht zijt voor Alva en dubbel teleurgesteld zijt over het mislukken van de inval. Begeeft U tot de Grote Herder, die niet slaapt en troost U uit Zijn Woord, dat de verdrukking niet altijd zal duren.
15. Tenslotte belijd ik voor de Almachtige God, dat ik nooit de Koning veracht heb; maar daar ik Gode meer gehoorzamen moest dan de mensen en gerechtigheid betrachten moest, heb ik één opdracht des Konings (die hij mij bij zijn vertrek uit ons land in 1599 gegeven had) geweigerd uit te voeren en wel deze: „veel luyden van eeren" te doden, die verdacht werden van ketterij, (obedieren =: gehoorzamen.)
Als ons volk zijn schone historie vergeet, ook als ons volk zijn schone volkslied niet meer kent en niet meer wil zingen, gaat het te gronde. Want èn onze geschiedenis èn ons geliefde Wilhelmus roepen het ons toe dat de voorwaarde voor de ware grootheid van Nederland gelegen is in de bevestiging van dit drievoudig snoer:
GOD — NEERLAND EN ORANJE!
*) Uiteraard hebben we ons zeer moeten beperken. Wie meer van ons Volkslied en zijn historie wil weten, leze bijv. „Het Wilhelmus van Nassouwe enz.", van Dr P. Leendertz, Zutphen 1925, waaraan ook deze aantekeningen deels ontleend zijn. Vermelden we nog dat als dichter meestal aangenomen wordt: Marnix van St. Aldegonde. Dit is echter niet meer dan een aan zekerheid grenzend vermoeden.
2 ) vroom kan hier ook betekenen; dapper.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1948
Daniel | 12 Pagina's