Het grote onderscheid tussen rechtvaardigen en ongelovigen.
Jesaja 3 : 10 en 11.
Mijn vrienden in Nederland en Ned.-Indië! Vader Smytegelt zegt, dat een Predikantsbediening een heerlijk, nochtans een zwaarwichtig werk is. Ze moeten waken omtrent de zielen der mensen. Het is in de bovenvermelde tekstwoorden zo duidelijk omschreven: Zegt de rechtvaardige dat het hem wel gaan zal, dat zij de vrucht hunner werken zullen eten; wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.
Jesaja voorzegt de verwoesting van Juda en Jerusalem om hunne zonden. God zou hen beroven van hunne steunsels, hen in verwarring brengen, hen de zegen onthouden.
Hier zijn tweeërlei mensen: rechtvaardigen en goddelozen. Wie zijn de rechtvaardigen? Gods ware volk. Zij zijn van de Vader in Christus verordineerd ten eeuwige leven en aan Hem gegeven. En Christus stelde zich in hun plaats als borg, om in de tijd alles voor hen te volbrengen en te verwerven. Zij waren in Hem van eeuwigheid door verkiezing en Verbondssluiting en in de tijd in Hem, hun Borg en Middelaar in de dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid. Zij w v orden in de tijd der minne, van dood levend gemaakt en afgesneden van Adam en tegen de natuur in, Hem door het geloof ingeplant. Zij worden door Hem gekocht, verlost en met God verzoend door Woord en Geest. Alzo geheel vernieuwd en tot God bekeerd, zijn zij in Christus, rechtvaardigen. Die rechtvaardigen zal het wel gaan in leven en sterven. God zal hen om Christus wil genadig zijn, al hun zonden verzoenen en hun werk voleindigen. God zal voor hen zorgdragen voor tijd en eeuwigheid. Ja, het zal hun wel gaan, zelfs in verdrukkingen en kastijdingen en tegenspoed. Wèl gaan in al hun wegen, want zij wandelen in de wegen Gods en Zijn inzettingen en geboden naar de keus van hun nieuwe leven. Ja, wel gaan in alle zware beproeving en strijd, wel gaan in dit leven, wel gaan in het sterven. Wel gaan in de grote oordeelsdag en tot in eeuwigheid. Dat is de vrucht van het geloof, bekering en heiligmaking die zij in Christus, Gode tot heerlijkheid hebben.
Vader Erskine zegt: Gods volk wox-dt gerechtvaardigd zonder de werken, maar geoordeeld naar de werken. Zij zijn vruchtdragende ranken in Hem door de Geest en zijn werkingen.
O, gelukkig volk waar zij zijn in Nederland of Indië, waar ook ter wereld, want zij. zijn voor rekening van God Drieënig. God bewaakt en bewaart hen. O, veilige stap* de staat der genade in een vernederde en verhoog Christus, en dat voor eeuwig, voor tijd en eeuwigheid.
Ziet Zondag I en wat daar op volgt! Maar nu de boodschap voor de goddelozen. Dat zijn al de onbekeerden zonder God en Christus in de wereld. Van nature alle mensen in Adams bondsbreuk. Goddelozen door erf-en dadelijke zonden. Niet alleen die buiten de Waarheid leven zijn goddelozen, maar ook, die buiten God en Christus leven en sterven al leven ze onder de Waarheid. Wee, de goddelozen voor tijd en eeuwigheid. Wee hun, het zal hun kwalijk gaan. O, dat wee hunner! Wat is een mens buiten God ongelukkig, en hij weet het niet, zijn ogen zijn verblind.
Wee hen, want het zal hen zo kwalijk gaan in tijd en eeuwigheid.
Tenzij er een wedergeboorte, vernieuwing en algehele bekering plaats heeft. En dat is ddor de almachtige ontfermende werking Gods mogelijk als hij door Woord en Geest werkt in de ziele. Ziet hier dan de vrucht van de rechtvaardigen en goddelozen tegenover elkander gesteld.
Rechtvaardigen, eens is Uw tijd ten einde. De kroon wacht U. Ge wordt rijp voor de eeuwige zaligheid. O, straks naar huis. De engelen zullen U ten hemel voeren. En dan zal Christus U straks in de grote dag der dagen, den Vader voorstellen, om met Hem en den Vader en de Heilige Geest eeuwig te zijn in de storeloze zaligheid.
Goddelozen, ge leeft nog. Roept tot God. Verzuimt tijd en middelen niet. O, sterft ge in Nederland, Indië, of waar ook voor eigen rekening, buiten Christus. O, wee U, dan voor eeuwig. Het grijpe U aan. De toekomst is donker. Alles roept ons toe: haast U en spoedt U om Uws levens wil.
Ziet hier het geluk der rechtvaardigen en het ongeluk der goddelozen tegenover elkander geplaatst.
Dit is de boodschap die ons van Godswege in Zijn Woord en de bediening des Woords, gebracht wordt.
En dit is een gewisse boodschap. Ge kunt er op aan: God zegt het ons zelf.
De Heere zegene dit aan onze harten, en ook aan Uw harten, zonen des Vaderlands in den vreemde!
Och, dat we saS.m veel in den gebede mochten zijn, al zijn we ver van elkander.
De Heere beware*, U en brenge U op Zijn tijd thuis. Wees te saam, in den vreemde gegroet.
De God aller genade zij met U en de Uwen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1948
Daniel | 8 Pagina's