Correspondentie met mijn jonge vrienden
Waarde Vriendin.
Je zou dus graag mijn gedachten eens willm weten, of een onbekeenle de psalmen in de kerk mag meezingen, daar deze toch eigenlijk de ontboezemingen zijn van Gods volk.
Nu, ik geloof, dat je niet alleen bent, die zich deze vraag wel eens stelt.
Doch. komaan, k zal trachten daar mijn eigen gedachten eens van te zeggen.
In de eerste plaats dient dan te worden opgemerkt, dal de kerk, wat zijn eredienst betreft, zich geheel richt naar wal hel wezen der kerk eigenlijk is.
En van dat wezen der kerk spreekt ons artikel '27 onn. onze Ned. Gel. Bel., als van , , een heilige vergadering der ware Ch rist - gelovigen, allen hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, ge heiligd en verzegeld door de Heilige Geest.
Uit dat oogpunt moeten we ook onze liturgische geschriften bezien.
Wat hebben we dan ook een kostelijk bezit in onze psalmbundel, hetzij men die zingt naar de berijming van Datheen o/ naar de z.g.n. nieuwe berijming.
Laat Gods volk maar eens spreken, hoe ze soms wonder lijk verkwikt zijn in Gods bedehuis onder het psalmgezang. Hoe diep het soms wegzonk in hun ziel. wanneer er juist een paalmvers werd gezongen, zo precies aansluit end aan hun zieletoestand en waarin de lleere in de dadelijkheid mee kwam. Momenten in hun leven, niet om te vergeten. Diep ligt het ingegrift in hun hart. Vraag ze er maar eens naar en ze zullen het u wel vertellen. Vertellen, wat er toen in hun hart is omgegaan. Hoe ze soms fe midden van benauwingen en slingeringen het oog mochten slaan naar die bergen, vanwaar alleen hun hulp komen zou.
, , God is een toevlucht voor de Zijnen Hun sterkt' als zij door droefheid kwijnen.
Zij werden steeds Zijn hulp gewaar In zielsbenauwdheid, in gevaar.
Of hebt u nog nooit eens een van Gods kinderen outmoet, die wel eens door het geloof had mogen uitroepen te midden van al zijn moedbenemende omstandigheden:
„Maar de Heer zal uilkomst geven enz.'
Wat een gelukkig volk toch, hé, dat volk i> nn God. Ben jc er wel eens jaloers op, en vraag je wel bij de gedurigheid ook nog eens zo gelukkig te mogen worden ?
Maar of Gods volk dan altijd maar met hun hart mee zingt ? Wal is dat er verre vandaan. Dan zouden we zulke geesteloze tijden ook niet beleven. Neen, als er al leen in de kerk gezongen moet worden door degene, die daartoe behoefte gevoelen, dan vrees ik, dat er wel eens Zondagen zouden zijn, dat men niet zo heel veel stemmen rernemen zou. Maar blijft daarom de Heere het niet waardig, dat men Hem prijst met psalmen schoon ?
En nu, wat de oribekeerden betreft.
Maar geachte vriendin, mag ik U eerst eens een vraag doen ? Een vraag, niet in hardheid, dal zij er verre van daan. maar een vraag in liefde. En wel deze: , Wie geeft on» het recht onbekeerd te zijn? Komt de Heere dan niet tot ons allen met Zijn heilige eis: , Bekeert u en gelooft het Evangelie." (Markus I : 15). En lezen ife niet in Malth, 5 : 17: Va n toen aan heeft J ezus begonnen te prediken en te zeggen: , Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen." En geldt dat ook niet voor ons? En mede naar die eis zal de Heere ons eens rechtvaardiglijk oordelen.
O, iraf is des mensen verantwoordelijkheid toch out zaggelijk groot. Hadden we daar maar eens meer indrukken van. Graag zou ik daar eens wat dieper op ingaan, doch dat laat de plaatsruimte thans niet toe. J)och laai ik er dan dit nog mogen bijvoegen. Wat zal het toch uitmaken daarbij nog geleefd te hebben onder de gedurige nodigingen en aanbiedingen van het Evangelie. En onwillekeurig ga ik denken aan hetgeen ik las in Lukas 10:13—15: Wee u ( hórazin, wee u Bethsaïda I Want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn. zij zouden eertijds in zak en as zittende, zich bekeerd hebben. Doch het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in het oordeel, dan u lied en. En gij Kapernaiim. dal lol de hemel loe verhoogd zijl, gij zult tot de hel nederge stolen worden.' Mochten deze woorden nog eens inbreuk maken op onze harten.
Ja. schuld mocht nog eens schuld worden, en zonde zonde; de Heere opene onze ogen voor het grote gevaar, waarin we van nature allen verkeren en Hij doe ons in waarheid ook nog eens meezingen :
, , Vergeef mij al mijn zonden, Die Uwe hoogheid schonden.
Ik ben verzwakt, o Heer. Genees mij, red mijn leven Gij ziet mijn beend ren beven Zo slaat Uw hand mij neer."
Zing maar gerust mee in Gods bedehuis, hoor. Dit is ons aller plicht. Daar ware nog veel meer van te zeggen, doch ik moet gaan eindigen.
Wees voorts van harte gegroet en Gode. bevolen.
Je vriend.
BRIEF SC 11 Rif VER
( orrespondentie voor deze rubriek aan :
BRIEESCHRIJVER.
p.a. Ds. Verhagen, Vloeddi/k '30, Kampen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1948
Daniel | 8 Pagina's