Briefwisseling mei mijn jonge vrienden
41
Waarde jonge Vriend,
Het is waar, het hart van een mens is niet te doorgronden. Dal is ook volgens de II. Schrift, welke zegt: , , Arglistig is het hart, dodelijk meer dan enig ding : wie zal het kennen ? Ik, de Heere. doorgrond het ". Sedert 's mensen val heeft de leugen heerschappij. En nu dacht je, dal je maar eenvoudig te ontdekken had. dat de leugen het tegenovergestelde van de waarheid was. en dat je daarmede de leugen, ja de vader der leugenen, ontmaskerd had. Maar nu word je gewaar, dat het zo eenvoudig niet is.
Terecht. Laat ik het zo eens eenvoudig mogen zeggen: Er is maar één rechte lijn, maar er is een ontelbare me nigte van kromme lijnen mogelijk. En in die kromme lijnen zijn soms van die rechte stukken, en toch blijven het kromme lijnen-Met andere woorden: De vader der leugenen gebruikt soms - waarheden om ons op een dwaalspoor te leiden. Hif weet ons le verleiden, om met onze deugden in een verkeerd spoor le treden. Hij gebruikt halve waarheden, om hele leugens ingang te doen vinden. Als wij een nederig gevoel hebben, koesteren wij daarvan de gedachte zolang, en gaan er zo ons hart op zeilen, totdat wij ons erop verheden.
De Heere zegt in Zijn Woord, dat wij ons hart Hem zouden geven; dal wij alles wat wij zijn. voor Hem moeten zijn. Want wij leven öf .onszelven öf Gode. Dat laatste gaat het nu om. De Heere heeft alles gemaakt om Zijns Zelfswil; dat is Zijn scheppingsdoel. Alle schepsel moet daaraan beantwoorden naar zijn aard, waar het geschapen is. Het onbezielde, redeloze schepsel toont naar zijn aard de wijsheid en macht des Scheppers. Maar de redelijke schepselen moeten. Zijn wijsheid en goedheid tonen naar hun redelijke aard. Zo is de mens. die van de rechte weg is afgeweken, een wanklank in de schepping geworden. Hel: ..Gij zult als God zijn'' heeft de mens afgevoerd van zijn levensdoel, n.1. om Gode te leven en zijn plaats in de schepping te vervullen als het kroonjuweel daarvan. Nu beelden wij onszelf een geluk in, in een weg, waaraan wijniet beantwoorden aan onze roeping. Dat is de leugen. Zie je, dat de diepte daarvan niet te peilen is.
Toch, ondanks dit bederf blijft de samenleving der mensen in stand. Ook daarin leren wij de aanbiddelijke wijsheid\ goedheid en macht Gods kennen. Maar nu is het niet gelijk, hoe wij er persoonlijk onder leven.
Jonge vriend, fe moet er niet aüeen' op (etten, U'ül je. doet, maar vooral hóe je het doet.
De Heere heeft ons allen enige gaven gegeven, de één meer, de ander minder. Als wij nu met het oefenen dezer gaven onszelf leven, willen wij boven onze gaven en boven anderen uitstijgen. Wij moeten bij de aanwending onzer gaven ons van onszelf afwenden en ons Leren naar de Heere en naar onze naaste. Dan is het ons genoeg, dat wij werken naar de mate van de gaven ons door God geschonken. Maar nis wij onszelf op het oog hebben, willen wij een ander opzij of voorbij streven. Dan is ons oog boos omdat^God goed is in het geven van meer talenten aan onze naaste. Of ook, wij weigeren onze gaven te besteden, omdat u'ij toch wel voelen dat een ander er meer heeft. Wij begraven ons talent in een zweetdoek en de taal van ons hart is: , , 1k weet dal gij een hard heer zijt, maaiende waar gij niet gezaaid hebt .
Of wij trachten een ander te vernederen, en kunnen er geen genoegen in hebben, dal aan een ander meer talenten is geschonken dan aan ons. En zo kunnen wij geen nut van elkander hebben. Dal dienen van elkander mei eenvoud van het hart wordt bij ons niet gevonden. Als ons dan gevraagd wordt een onderwerp voor de ]. V. te bestuderen, dan doen we dat maar niet, en zeggen heel nederig: Ach neen, dat kan ik niet. laat Jen ander het maar doen. Of wij zeggen: Ik zal het proberen, maar het zal niet veel bijzonders zijn.
Intussen willen wij wat bijzonders zijn en denken wat bijzonders le zijn, en willen , .dieper ploegen dan onze schaar '. »
Zie je, jonge vriend, hoe ondoorgrondelijk hel hart van een mens is? Bid de Heere om eenvoud des harten. Zoek genade in Zijn ogen te vinden. Concurrentiezucht is geen genade. Genade ziet ook op hetgeen van een ander is. Dan zullen wij onze gaven met vreugde besteden tot^nul van anderen. Dan leven wij niet om onszelf te behagen. Dan verkleinen wij onze gaven niet en wij vergroten ze niet. Dan zullen wij de gaven opwekken, die in ons zijn, naar Paulus' uermaning aan TimotKeas.
Dat is de diepte van ons bederf, dat ..onszelf behagen". Dat is de diepte van jxel ongeloof, want zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Zelfs willen wij onszelf behagen in de gedachte dat wij onbekeerd zijn. Dus in wat ons grootste ongeluk is, gaan wij onszelf nog heimelijk verheffen. Of kun je dat niet geloven? Tracht jezelf op dat punt eens te onderzoeken. , , Arglistig is het hart, dodelijk, meer dan enig ding". Maar er staat wat bij: , , Ik de Heere, doorgrond hel". Daarom voegt ons de bede: , , Doorgrond mij, o God en ken mijn hart, beproef mij. en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leidt mij op de eeuwige weg".
Zo mag je tomen uoor 's Heeren aangezicht. De fioop is niet afgesneden. Schrijf mij maar eens hoe je erover denkt.
Je vriend,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1948
Daniel | 8 Pagina's