JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

4 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan : | MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid

A. H. te 's-Gr. vraagt hoe hij moet verstaan, dat er in Exodus geschreven staat, dat God Farao's hart zou verstokken.

Wordt hier de schuld niet aan God gegeven?

Antwoord: Aleer'ik op deze vraag inga, wil ik u voorhouden: „In Hem mijn vaste Rots is 't onrecht nooit gevonden." en volgens Job: „Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht."

God kan de schuld van de zonde nooit zijn, aangezien hij naar art. 1 van de 37 geloofsartikelen volkomen wijs, rechtvaardig en goed is en een zeer overvloeiende fontein aller goeden.

Deze vraag moet gezien worden in het licht dat art. XIII van onze geloofsbelijdenis er op werpt.

Daarin toch wordt gehandeld over de „Voorzienigheid Gods", die bestaat in 3 delen n.1. onderhouding, medewerking en regering.

Uw vraag valt onder het 2e deel, n.1. de medewerking-Gods over het kwade.

Wat wordt daarmee bedoeld?

Laat ik een natuurlijk voorbeeld nemen.

Wanneer ik iemand zijn ongeluk tegemoet zie gaan en ik kan dat verhoeden, maar ik doe het niet, dan werk ik in mijn negatieve houding mee in het ongeluk van zo'n mens. Daarin ben ik schuldig. Ik mag mij van mijn mede-mens niet onttrekken, als hem gevaar dreigt. Zo'n mens loslaten stelt mij, zo niet voor de aardse rechter, dan toch voor de Hemelse Rechter in een staat van schuld.

Hoe geheel anders is dit bij de Heere. Hij is vrij om iemand los te laten, omdat de mens zichzelf door moedwillige ongehoorzaamheid van God heeft losgemaakt.

Nu heeft het de Heere behaagd om in Zijn algemene goedheid de 'mens nog vast te houden, zodat hij zich niet kan uitleven, wat de begeerte van zijn boze hart wil. Echter, Gods lankmoedigheid heeft een grens. Als Farao zich blijft verharden laat God Farao los en geeft hem in Zijn rechtvaardigheid over in een verkeerde zin, om te doen dingen, die niet betamen.

Verschillende Jongelingsverenigingen vragen mij waar de ziel van Lazarus geweest is tijdens zijn dood.

Antwoord: Zulke vragen vind ik daarom zo moeilijk, omdat een rechtstreeks antwoord in Gods Woord niet te vinden is.

't Is op zichzelf niet erg, dat zo'n vraag gesteld wordt, maar ik ben altijd bang, dat de hoofdzaak uit het oog verloren wordt. Hoofdzaak voor ons is, in welke verhouding wy staan tot God. De voornaamste vraag in ons leven moet toch zijn: „Mijn ziel, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor de Rechter van Hemel en aarde? " •

Niettemin, wil ik er wel iets van zeggen.

Zoals U weet, zijn er in het O.T. 3 doden opgewekt n.1. de zoon van de weduwe van Sarfath, de zoon van de Sunamietisehe en die man, wiens lichaam in aanraking kwam met het gebeente van de overleden profeet Eliza.

Drie zijn er opgewekt tijdens de omwandeling van de Heere Jezus. Het dochtertje van Jaïrus, de zoon van de weduwe van Naïn en Lazarus, de broeder van Martha en Maria. Alzo een kind, een jongeling, een man; of wilt ge het anders, het leven dat knopt, het leven dat bloeit en het rijpe, vruchtdragende leven.

Het dochtertje was pas gestorven, de jongeling werd uitgedragen en Lazarus lag reeds 4 dagen in het graf. Eindelijk het dochtertje was een enig kind, de jongeling een enige zoon en Lazarus een enige broeder.

Nu rijst de vraag: Waar is de ziel geweest èn van dat meisje èn van die jongeling èn van Lazarus?

In Pred. 12 : 7 lees ik: En dat het stof wederom tot aarde kére, als het geweest is en de geest wederom tot God ere, Die hem gegeven heeft."

Hieruit kan dus gevoeglijk blijken, dat de ziel tot God gegaan is en daar tijdelijke heerlijkheid heeft genoten; tijdelijke heerlijkheid, omdat de ziel weer spoedig met het lichaam verenigd is geworden. Dat dit mogelijk is, bewijst ons Paulus, wanneer hij in 2 Cor. 12 : 2 en 4 zegt: Ik ken een mens in Christus voor 14 jaar (of het geschied zij in het lichaam... of buiten het lichaam, weet ik niet; God weet het) dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derde hemel. Dat hij opgetrokken geweest is in het Paradijs en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het, een mens niet geoorloofd is uit te spreken." Hier toont de apostel, dat de ziel buiten het lichaam kan bestaan en verstaan; want anders had hij er niet aan te twijfelen of het was in het lichaam geschied.

Zo kan de ziel, terwijl het lichaam op de aarde is in de plaats van de derde hemel zijn en daar onuitsprekelijke zaken kennen en genieten en terugkeren tot het lichaam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1948

Daniel | 8 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1948

Daniel | 8 Pagina's