Het Huwelijk
XVII.
Verbintenis met een ongelovige. (II.)
Toen in de eerste Christenkerk het Evangelie bevestigd werd onder de heidenen, en er naar de verkiezing der genade uit het heldendom overgebracht werden tot Gods wonderbaar licht, gebeurde het, dat de man christen werd en de vrouw heidin bleef; of omgekeerd de vrouw alleen werd 1 toegebracht. Dan moest zulk een huwelijk niet worden ontbonden, want in wezen is het huwelijk onontbindbaar. De gelovige 7 mocht de knoop niet doorhakken, maar hij mocht daarom ook de dienst des Heeren niet loslaten. Indien een vrouw een ongelovige man had, en hij was tevreden om bij haar te wonen, zo mocht zij hem niet verlaten. Wilde een ongelovige man niet bij zijn gelovige vrouw wonen en scheidde hij, welnu dat lag voor zijn rekening. De vrouw stond hier niet schuldig, zij was vrij.
In zulk een gemengd huwelijk moet altijd de eis van Gods Woord gehandhaafd worden. Daarom zegt Paulus: De ongelovige man is geheiligd door de vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn ze heilig." (1 Cor. 7 : 14.)
Het is er dus wel ver vandaan, dat een huwelijksverbintenis gezocht mag worden met een, die vreemd is van de Godsdienst, en dat we dan zouden mogen zeggen: „Ik laat je geheel vrij, hoe je in het godsdienstige leven wilt, als we getrouwd zijn." Dat is een verloochenen van de eis van Gods Woord. Dat wil dus eigenlijk zeggen, dat wij zélf onder die eis niet buigen.
Stel de zaak maar eens zoo positief en scherp als de H. Schrift die stelt en je zult het antwoord vernemen: Daar bedank ik voor.
Wil men zijn zin doordrijven van te trouwen met een ongelovige, dan wordt het Schriftwoord wel eens te baat genomen: Want wat weet gij, vrouw, of gij de man zult zalig maken? Of wat gij, man, of gij de vrouw zult zalig maken? " (1 Cor. 7 : 16.)
Maar dit geldt duidelijk, als ze samengekomen zijn in hun beider blinde en van God vervreemde staat. Dan mag uit de bekering van één hunner geen reden genomen worden, dat die zich afwende van de nog van God vervreemde. Dan is het gezin geheiligd, tenzy de onbekeerde het breke.
Zo moet dan beslist afgewezen worden, dat iemand, die Gods Woord belijdt en overeenkomstig dat Woord zijn weg aan wil stellen (waartoe hij ook verplicht is) zich verbindt met een ongelovige.
De eenheid in het huwelijk moet gehandhaafd worden, maar dit juist brengt met zich mede, dat geen verbintenis met een ongelovige mag gezocht. Dat ze trouwen, zegt Paulus, doch alleenlijk in de Heere; dat wil zeggen: in de vreze Gods.
Als twee mensen in het huwelijk bij elkaar komen, terwyi zij beiden in de wereld en in hun blindheid leven, en de Heere brengt er één toe, zo wordt dikwijls ervaren, dat ook de ander uitwendig ingebonden wordt. Dat is de vrucht van de algemene verbondsheiliging, waarvan 1 Cor. 7 : 14 gewaagt. Indien echter één der twee, tegen licht en belijdenis, zich aan een ongelovige verbindt, wordt de ongelovige de ander dikwijls tot een roede. Dan bezoekt God dikwijls de zonde. Hiertegen gaat onze waarschuwing.
Wege het toch op de harten van ons jong geslacht, dat ze geen verbintenis zoeken met een ongelovige.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1948
Daniel | 8 Pagina's