VOOR onze Militairen
»KRIJGSMAN« was door bijzondere en zeer drukke omstandigheden gedurende enkele weken niet in de gelegenheid te schrijven. In de hierna komende nrs. hoopt hij te schrijven over aankomst extra pakketten in Indië, over terugkeer uit Indië, adresveranderingen enz. In deze rubriek plaatsen we ditmaal een artikel van een ander onzer medewerkers, wat ook voor de militairen wel zeer actueel is.
Mag ik op Zondag ...?
Mijn lezer, ge kent die vragen wel. Misschien zit ge er zelf wel mee en hebt reeds een aantal dingen ingevuld, waarvan ge toch o zo graag wilt weten of ge die op Zondag moogt doen.
Ik wil trachten, u op al die vragen een antwoord te geven.
Misschien vindt u dat een vermetele poging? Immers als het gaat over die „grove dingen", ja, dan weet u het ook wel. Maar er zijn van dié dingen, die zo op de grens liggen. De een veroordeelt ze, en de ander keurt ze goed. Zou daar in dit artikeltje in „Daniël" nu ineens het laatste woord over gezegd worden? Wat denkt die schrijver toch wel van zichzelf!
Stel u gerust, lezer. De schrijver heeft een boekje gevonden, waarvan hij gelooft, dat de inhoud gegrond is op Gods Woord en dat het inderdaad een afdoend antwoord geeft op al uw vragen. Hij vond dat boekje zo mooi. dat hij het wel in handen wenste van alle , , Da'niel"-lezers, ook van onze militairen. Dat gaat nu eenmaal niet en daarom dacht hij er eens enkele dingen uit naar voren te brengen en vraagt daarvoor uw bijzondere aandacht. *)
Het bedoelde boekje is van de bekende Engelse (Schotse) schrijver M'CHEYNE en is getiteld: „Ik heb de Pag des Heeren lief". (Arnhem, 1884).
De schrijver van dit boekje noemt vier redenen op, waarom Gods Volk de Dag des Heeren liefheeft. Deze zijn:
1. OMDAT HET DE DAG DES HEEREN IS.
Wel behoren alle dagen Hem toe, maar deze heeft Hij zich bijzonder afgezonderd en uitverkoren. Gods Volk heeft alles lief, wat Christus toebehoort: Zijn Woord, Zijn Huis, Zijn Dis, Zijn Volk en zo ook Zijn Dag. Wie de dag des Heeren niet liefheeft, heeft geen liefde voor Christus en wie de Sabbath schendt, bedrijft heiligschennis. ..Vervloekt is de winst, vervloekt het vermaak, vervloekt de rijkdom die door het onrechtmatig zich toeëigenen van deze aan God gewijde dag, verworven wordt." (Dr. Love).
2. OMDAT HIJ OORSPRONKELIJK UIT HET PARADIJS IS.
De mens in hét Paradijs was niet tot ledigheid geschapen: de hof bouwen en die bewaren was de taak hem opgelegd. Maar ook daar was behoefte aan een rustdag, om zich meer en dieper te verlustigen in God. Zonder die rustdag was de hof niet volmaakt.
3. OMDAT HIJ EEN TYPE VAN DE HEMEL IS.
Als een gelovig Christen de aardse beslommeringen aflegt en opgaat naar des Heeren huis, neerzit onder Zijn Woord, Hem lofzangen zingt, of thuis met Hem in de eenzaamheid verkeert: dan is dat voor Hem enigermate als in de grote dag der opstanding, wanneer hij „gemaakt zal worden tot een pilaar in de tempel Zijns Gods en niet meer daaruit zal gaan." Daarom is deze
dag voor Gods Volk een verlustiging. Hebt ge er een afkeer van? Zucht ge: „Wanneer komt er toch een einde aan de Sabbath om koren te kunnen verkopen? " Dan is er voor u geen plaats in de hemel, waar het eeuwig Sabbath zal wezen. In de hel zijn geen Sabbathen meer.
4. OMDAT HET EEN DAG VAN ZEGEN IS.
Denk aan de zegen door de opgestane Heere Jezus gegeven op de eerste dag der week: de Emmaüsgangers, wier harten brandende gemaakt werden; de discipelen die op twee achtereenvolgende Zondagen bezocht werden; Thomas die bevrijd werd uit de banden van het ongeloof. Ook werd de Heilige Geest op die dag uitgestort en werden er 3000 in het hart getroffen. Tenslotte was Johannes op die dag in de Geest en ontving de Goddelijke Openbaring.
En hoewel God niet aan tijd of plaats gebonden is, geeft Hij ook op die dag de meeste Zegen uit Zijn Woord, zo tot bekering als tot vertroosting.
De schrijver besluit zijn boekje met een vermaning aan Gods Volk:
1. Om de dag des Heeren op hoge prijs te stellen: Op die dag moeten ze het meest werkzaam zijn, doch in de dingen der eeuwigheid. Op die dag moeten ze het naarstigst zijn om de zonde te vlieden. Voorts moeten ze die dag in de nabijheid des Heeren doorbrengen.
2. Om de dag des Heeren te verdedigen tegen alle Sabbathsschenders. Inzonderheid noemt de schrijver drie dingen, die de Zondag in Schotland toentertijd bedreigden (1841). Het openstellen van leesinriehtingen; van koffiehuizen; en de aankondiging dat de spoorweg Edinburgh Glasgow op Zondag geopend zou worden.
(Dit laatste was trouwens de aanleiding van het schrijven van genoemd boekje. Als de schrijver nu moest opsommen door welke openbare dingen de Zondag bedreigd werd, hij zou moeten zeggen: Waar zal ik beginnen en waar zal ik eindigen).
Tot de Sabbathsschenders, allen die deze geestelijke Sabbathsviering niet kennen, zegt hij: Gij rooft de aan God toegewijde dag en gij vermoordt de zielen dergenen, die ge dwingt om voor u te arbeiden (Gaan we dus op Zondag met de trein naar huis? ) Ge snelt het vonnis dat de Sabbathsschenders wacht, met rasse schreden tegemoet.
Laat u de wille Gods aangaande de heiliging van Zijn Dag niet uitleggen door de „kinderen dezer wereld", die stekeblind zijn in alle goddelijke zaken en de Schrift naar willekeur verdraaien, gelijk de Satan. (Zijn dezulken er ook thans niet vele? Die zeggen: e behoeft het zo nauw niet te nemen! We hebben toch de oud-Testamentische Sabbath niet meer? enz.!) Van de vele schriftuurplaatsen die hij ter overpeinzing aanbiedt volgen hier die plaatsen, welke handelen over de Sabbath onder de bedeling des Evangelies. Psalm 118 : 24: esaia 66 : 23; Ezechiel 46 : 1; Markus 2 : 27 en 28; Handelingen 2:1; en 20< c 6 en 7; 1 Corinthe 16 : 2; Openbaring 1 : 10.
Tot zover het genoemde boekje. Ik hoop, hoewel verkort en soms in eigen bewoordingen, toch erin geslaagd te zijn, u de strekking ervan te hebben weergegeven. En ik geloof als we nu eerlijk zijn, dat we dan toch gevoelen dat we veroordeeld worden met al ons vragen van: „Mag ik dit of mag ik dat op Zondag? " Laten we er eens één nemen: „Mag ik wandelen op Zondag? " Dan noemen we meteen iets dat helaas onder ons burgerrecht schijnt te verkrijgen. Vraag u dan maar eens af of uw wandelen in overeenstemming te brengen is met de Sabbathsviering hierboven geschetst. Ge zegt: Ja maar daar moet je toch eigenlijk wat voor „hebben" om zo de Zondag te kunnen vieren! Ach, wat vrooom klinkt dat. Zo kunt ge goed-Gereformeerd zijn en toch voortgaan met „uwe lust te doen op de Sabbath".
Mag ik u eens vragen: Moet ge er ook iets voor „hebben" om niet te stelen, niet te vloeken, niet te liegen enzovoort ?
Neen, want daar hebt ge genoeg voor en wel: naar we hopen een consciëntie die nog niet is toegeschroeid en het voorrecht van een opvoeding onder de leer die naar de Godzaligheid is.
Maar bedenk dan, dat dezelfde God, die gezegd heeft: „Gij zult niet stelen", ook gezegd heeft: „Gedenkt de Sabbath dat ge die heiligt". Die God zal u oordelen naar al uw daden, ook naar Uw schenden van de Sabbath.
Tenslotte zegt ge: Ja, ik gevoel de verplichting, de betamelijkheid om zo de Zondag te vieren, maar ik kan het niet, want mijn hart is er afkerig van. Ziedaar ons aller ongeluk van nature: wij zijn vijanden van God en ook van Zijn dag.
Mocht de Heere ons daar recht aan ontdekken, opdat we in de weg van de waarachtige bekering des harten door Zijn genade leren zouden „de eeuwige Sabbath in dit leven aan te vangen" (Heid. Catech. vraag 103).
1) Behandelen we de Zondagsheiliging ook eens op de J.V. ? Als bronnen kunnen we gebruiken: Brakel's Red. Godsd.; Catechismusverklaringen over vraag 103; artikelen in de Saambinder over vierde gebod, enz. We denken dan natuurlijk ook aan de taak van de Overheid ten aanzien van de publieke Zondagsheiliging.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1948
Daniel | 15 Pagina's