Terugblik op „oud en nieuw”
Het beleven van „oud en nieuw" staat in het teken van weemoed om alles wat verging in de gang der wentelende jaren en in een aarzelend aanvangen met het komende. Op Oudejaarsavond hangt de sfeer van gemoedelijke betuiging: we mogen 't nog voleinden, en op Nieuwjaarsmorgen is er meer een opgewekte stemming met diep verscholen het beklemmende: wat zal dit jaar ons brengen.
Bij de oude Babyloniërs was het Nieuwjaar van grote betekenis. Het was een feestdag, die gevierd werd met een optocht ter ere van de overwinnende god Mardoek of Merodaeh, de zonnegod. De donkerste dagen, •svmboo] van wanorde en duistere machten, waren voorbij en de god van het licht had gezegevierd. Nieuwjaarsdag was dus de dag van overwinning op alle mogelijke machten en het volk kon in de overwinningsroes voortgaan te leven onder de stralen van Mardoek, die steeds helderder zouden doorbreiden.
Dc Israëlieten hadden na elke zes jaar een Jaarsabbath, waarin niet gezaaid, gemaaid en gesnoeid mocht worden en waarin men zich voedde met de opbrengst van het vorige jaar. Wat het rustende land opbracht en wat aan de wijnstok en olijfboom, zonder gesnoeid te zijn, groeide, was voor iedereen, voor dienstbaren en vrijen, voor het vee en het wild gedierte. Het Sabbath-iaar schonk het volk een lange, rust van de gewone arbeid en het volk moest vértrouwen op zijn Bondsgod. Die hun had gegeven een land, vloeiende van melk en honing. Het volk moest toenemen in de kennis van Gods heilige Wet die op het Loofhuttenfeest van hot. Sabbath-iaar plechtig moest worden voorgelezen. In het vrift.igste jaar (na zevenmaal zeven jaren) werd het Jubellaar jrevierd. dat aangekondigd werd als een jaar der vrijlating (zie Lev. 25). Door heel het land moest op de s(*hofar (bazuin) worden geblazen. Alle Israëlieten, in slavernii geraakt, kregen de vrijheid: alle eigendommen (huizen, akkers, wijngaarden) kwamen terug aan de wettige eigenaar of erfgenamen daarvan. Het land rustte, het volk was vrij, het werd uit de verarming ongehaaid. Het horen van het bazuingeklank klonk in de oren van Israël aès een geluid van overwinning, van vrijlating, van nieuw uitzicht, van belofte en glans.
„Hier wordt de rust geschonken, Hier 't vette van TTw huis gesmaakt: Een volle beek van wellust maakt Hier elk in liefde dronken."
Dit Jubel iaar schaduwde af de grote komende verlossing door de komst van Silo, de Rustaanbreriger: „Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, .en de gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen het iaar van het welbehagen des Heeren." (Jes. 61)
Wij staan nu achter de jaarwisseling. Wij zijn geen Babyloniërs en geloven niet in Mardoek, de zonnegod. Wij zijn geen Israëlieten maar belijden de God van Israël. Die is een enig Heere. Die God is een Zon en Schild. Die is in de menselijke natuur gekomen als de Zon /Ier gerechtigheid, als een Licht tot verlichting der heidenen. Wij/ staan aan het begin van 1948. En dan vragen we wat er voor ons gereed ligt. Niemand weet wat er zal geschieden. Wat zal er gebeuren met onze persoon, met ons gezin, met onze kerk, onze gemeente. ons land en ons volk ? Wat staat er te gebeuren in Europa ? Hoe zal het aflopen in Palestina, in Ned.-Indië? En daar doorheen het vernemen van geruchten van oorloften en atoombommen.
Niemand kan de sluier, die voor de toekomst hangt, wegnemen en de vragen, die alom rijzen, beantwoorden.
Geen bazuingeklank als onder Israël wordt gehoord, maar toch klinkt een machtige stem door al de wereldwoelingen heen, dwars door alle menselijk pogen en angstige toekomstverwachtingen: , .De Heere regeert; dat de volken beven."
Er is een volk, dat het grote Jubeljaar tegemoet ga? t. In de Kerstdagen, die achter ons liggen, is de geboorte van hun Koning herdacht. , .En die Man zal niet rusten, tenzijjhij deze zaak voleind hebbe."
Dc apostel Paulus, behorende tot dit volk, kon de toekomst tegemoet gaan: „Want ik ben verzekerd, dat noch dood. noch leven, noch engelen, noch overheden, j-i^rh machten, noch tegenwoordige, noch toekomende < K ngen. noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1948
Daniel | 8 Pagina's