ONZE Catechismus
(xxv)
Uit Zondag 6 : De Middelaar des verbonds
In de derde plaats moet de plaatsbekledende Middelaar waarachtig God zijn, daar Hij de gerechtigheid en het leven wedergeven moet. Hij moet de gevallen zondaar aan God wedergeven zoals hij uit de hand van de Schepper is voortgekomen. Hij moet de zondaar ontzondigen. Hij moet hem ophalen uit de heerschappij des doods, des satans en des ongeloofs. Die zichzelf heeft Ieren kennen, weet dat er een almachtig God aan te pas moet komen om hem uit de ruisende kuil en het modderige slijk der ellende op te halen. Het is alleen mogelijk door de almachtige kracht van Zijn genade ons de gerechtigheid en het leven weder te geven. Naarmate wij door de ontdekkingen des Heiligen Geestes zijn geleid in onze verlorenheid en verdoemelijkheid, wordt het ons steeds duidelijker, dat er een almachtig God aan te pas moet komen om ons uit die diepte op te halen, te bekleden met gerechtigheid en het eeuwige leven te schenken.
Het is de oorzaak van onze geestelijke onvruchtbaarheid, zo wij het kunnen stellen buiten het plaatsbekledende werk van de Middelaar des Verbonds. Dat er genot ligt in het doen van de keus en in het uitleven van de keus is zeker waar, maar de grond der zaligheid is er niet in. Daar is genot in de verootmoediging des harten, in een innig gebedsleven en gebedsverhoringen, maar daar moogt u niet op steunen als grond voor de eeuwigheid. Wij moeten van al die genietingen afgebracht worden als grond, om gegrond te kunnen worden in het plaatsbekledende werk van de Middelaar. Alleen door Hem kunnen wij verzoening bekomen met God en een recht ontvangen ten eeuwige leven. Jakob dacht, dat hij het wel stellen kon met hetgeen hij beleefd had in Bethel, aanschouwd had in Mahanaim, meende zo het beloofde land in te gaan, maar dat liet God niet toe. Hij moest nog een Pniël leren kennen.
Het is niet mogelijk, dat de mens met zijn verdorven verstand de mogelijkheid kan uitdenken, om de vraag naar zulk een Middelaar te beantwoorden. Het is ons niet alleen onmogelijk die weg uit te denken, maar ook onmogelijk die Verlosser voort te brengen. Grote mannen als Noach, Mozes, Salomo en meer anderen zijn uit Adam voortgekomen, maar niet een heeft zichzelf en nog veel minder een ander kunnen verlossen van het oordeel des doods. Wat zij waren, waren zij door Gods genade. De Middelaar moet zijn een persoon, die ziel en lichaam heeft, die als waarachtig mens ons in alles gelijk moet zijn, uitgenomen de zonde. Door de vereniging van ziel en lichaam ontstaat een menselijk persoon, die in Adam begrepen en vertegenwoordigd was bij de oprichting en de verbreking van het Verbond der werken. En nu moeten wij een Middelaar hebben, die ons vlees en bloed heeft en een ziel heeft gelijk wij een ziel hebben en die toch niet een menselijk persoon is, begrepen en vertegenwoordigd in Adam. Hij moet als mens geboren worden en als mens leven en toch niet een menselijk persoon zijn, maar een goddelijk persoon. De alleen wijze God kon de mogelijkheid van Zijn verschijning alleen uitdenken en de werkelijkheid van Zijn verschijning alleen tot stand brengen. Zelfs de engelen waren niet bij machte dit te doen en daarom stonden zij te staren op het verzoendeksel, niet wetende hoe het mogelijk was, dat een vloekende wet kon zwijgen.
En gelijk wij begrepen en vertegenwoordigd zijn in Adam tot ons verderf, moet het een Middelaar zijn in wien ik begrepen en vertegenwoordigd ben tot zaligheid. Als ik denk aan mijn zijn in Adam, dan moet ik met schaamte mijn mond steken in het stof, daar ik in hem verdoemelijk ben voor God. En daarom moet ik een Middelaar hebben in wien ik mjjn hoofd l»an opheffen om in Hem met de vrijmoedigheid en de zekerheid des geloofs tot God te gaan.
Deze plaatsbekledende Middelaar is niet alleen onmisbaar voor mij, maar ook voor God. Het is niet mogelijk, dat een heilig en rechtvaardig God buiten die Middelaar om, met Zijn Geest, liefde en genade kan afdalen in mijn hart, dat geheel verdorven is door de zonde. En het is niet mogelijk, dat ik met mijn verdorven bestaan buiten die Middelaar om kan opklimmen tot God.
Deze Middelaar nu, wordt ons door God onderwerpelijk gegeven in de weg van waarachtige bekering en aangenomen met vreugde door het geloof. Met deze gebeurtenis komt er een keerpunt in ons innerlijk leven, worden de deuren van het tuchthuis voor ons geopend om er uit geleid te worden, wordt men meerderjarig en behoeft men niet langer onder voogden en verzorgers te staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1948
Daniel | 8 Pagina's