HET HUWELIJK
14.
Voorlichting? (I).
Na hetgeen reeds is geschreven, zal het duidelijk zijn, hoe de vraag, of Voorlichting, ten aanzien van verloving en huwelijk, gewenst en geboden is, moet worden beantwoord.
Er bestaat bij sommigen een opvatting, dat van deze dingen maar moet worden gezwegen; dat deze dingen wel vanzelf terecht komen; dat we het kwaad tóch niet kunnen afwenden. Soms zegt men: Het geschiedt toch alles naar Gods raad: huwelijken worden in de hemel gesloten. Dit laatste is waar. Maar ook is van de hemel geopenbaard, dat in het houden van Gods geboden grote loon is. Onze kennis is maar zeer ten dele, en het is bij ons mensenkinderen een groot gebrek, dat wij altoos eenzijdig zijn in onze beschouwingen. Bij het leerstuk van de Goddelijke raadsbesluiten en de Goddelijke voorzienigheid springt dat wel erg in het oog. Wij beschouwen het dan zo, dat de voorzienigheid alleen gaat over enige gewichtvolle momenten in ons leven. Onze geboorte, ons stervensuur, ons huwelijk, onze bekering en wij zien voorbij, dat heel ons leven en al onze paden, met alle omstandigheden, middelen en plichten onder het. voorzienig bestel des Heeren liggen. Als wij ons in het een of ander willen onttrekken aan onze dure roeping, dan komen wij met het leerstuk van de wil van Gods besluit voor de dag en zeggen: Daar kun je toch niets tegen doen. Willen wij echter in een andere zaak onze wil bekomen, dan jagen wij dat hittiglrjk na en zetten alle gedachten over de Goddelijke besluiten van ons af. Dan kiezen we niet alleen middelen, maar ook kwade middelen. In het ene geval doen we soms vroom-lijdelijk, in het andere doen we of er geen God in de hemel, geen besturende almacht. bestaat. De vreze des Heeren leert ons te wandelen in het midden van de paden des rechts; ook bij de vraag of wij in een bepaald geval roeping hebben, om in de weg der middelen te wandelen, dan of wij hier af mogen wachten de vervulling van Gods raad.
Nu zijn de zaken van huwelijk en verloving tedere zaken. Bovendien zijn wegen en omstandigheden zó verschillend, dat er maar niet zo gemakkelijk een weg kan gewezen worden. Maar toch, wij zijn overtuigd, dat wel degelijk voorlichting geboden is; ja, dat der tijden nood ons temeer dringt, om over deze zaken met onze jonsre mensen te spreken.
Maar in de eerste plaats moet hier leiding en voorlichting uitgaan Van de ouders.
Er zijn ouders, die zeggen: Hoor eens, we hebben voor onze kinderen gedaan wat we konden. We hebben ze van jongs af gekoesterd; onze nachtrust hebben we er voor geofferd; onze moeite besteed; aan hun ziekbed gewaakt; we hebben ze gevoed en gekleed; onderwijs laten geven. We hebben ze ter catechisatie gestuurd; ze meegenomen ter kerk. Nu zijn ze groot, ze moeten hun eigen weg maar zoeken. Onze zoon moet maar een meisje zoeken, waar bij zin in heeft; dat kun je niet dwingen. Onze dochter moet de inspraak van haar hart maar volgen, als iemand haar ten huwelijk vraagt. Voor het overige ligt dat voor hun verantwoording, wij hebben ons daar buiten te houden. Nu ja, men wil dan nog wel toestaan, dat, dis het de spuigaten uitloopt, dis het nu helemaal nérgens naar lijkt, dat het dan vroeg genoeg is om er wat van te zeggep. Dén zijn wij er óók nog. Dan zeggen zij tenslotte: neen, het gebéurt niet. Dan spreken zy er hun „veto" over uit: en daarmee is de zaak af.
Maar zullen die ouders dan niet tot hun smart bemerken, dat door hen niet tijdig voorlichting aan hun kinderen is gegeven?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1948
Daniel | 8 Pagina's