Briefwisseling met mijn jange vrienden
(31)
Waarde jonge Vriend,
Je wilt belijdenis doen. Je hebt bezwaren. Aitemaal bezwaren aan de buitenkant. Er zullen wel meer bezwaren zijn. Ook bezwaren, die wel aan de buitenkant zijn, maar die toch de binnenzijde niet onberoerd laten. De wijze waaróp gezongen wordt, is van ondergeschikt belang. Die zal ook bij alle psalmen niet hetzelfde kunnen zijn. Er zijn klaagpsalmen en lofzangen. Of wij te veel vormen aannemen? Alle vormen, die wij aannemen zijn wellicht te veel, als we in de vormen opgaan. Intussen zijn goede gewoonten een steun voor onze levensgang. Jezus ging naar Zijn gewoonte op dei, Sabbathdag\ in de synagoge. Er staat niet: UIT gewoonte. Het behoeft je niet te bedroeven, dat je (al was het alleen maar ter wille van anderen, die zich er aan souden stoten) iets zou moeten laten, dat je wel zou durven doen, maar dat intussen toch niet volstrekt nodig is te doen.
Paulus zegt: , Indien ik mijn broeder erger, zo zal ik ii der eeuwigheid geen vlees eten/' Je vindt het niet goed, dat de rijken de beste plaatsen in de kerk krijgen. Als het gevolg is, dat de armen ir) een hoek gedrukt worden, is Baruch het met je eens. Intussen hoopt Baruch, dat je de nood op je hart gebonden moge worden, om van harte belijdenis te mogen doen, want daarin 'zijn wij niet vrij, maar daar zijn wij toe verplicht. Ja dat belijdenis doen! Daar is al wat over geschreven. 1$ dat nti „enkel maar een belijden van de waarheid 1 ', of moet dat met het hart geschieden? Mogen wij er van overtuigd geraken, dat al wat wij doen, wij dat doen moeten van harte als de Heere en niet de mensen. (Col. 3:23). Het doet de psalmdichter getuigen: e mond sprak steeds de taal van 't hart, door beide is hun plicht betracht (Psalm 17). Wij zouden het ook met de woorden van Van den Vondel kunnen zeggen: De Waarheid eist het hart en niet zozeer 't gebaar. Dit laatste zonder 't eerst, dat maakt dj huichelaar.'' Plicht? Ja zeker; roeping! Die Gcd niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon (1 Joh. 5 : 10). Greep de geduchtheid der werkelijkheid onze ziele aan. Jonge vrienden, meen je er vrede mee te kunnen hebben, dat je je mond voor de Heere reserveert, en je hart voor jezelf? Vrede, rust, blijdschap zal ons hart vervullen, als wij onszelf, onze eigene gerechtigheid, onze vermeende waardigheid verliezen, en liefelijk overreed worden om op kosten van vrije genade, door het bloed van Christus gezaligd en behouden te worden, en Hem als Koning over ons hart en onze mond beide te laten regeren. Om onze wijsheid dwaasheid te achten en Hem als de grote Leraar der gerechtigheid nederig achterna te wandelen.
Nu is er nog een jonge vriend, die niet goed vatten kan het verband tussen opvoeding en belijdenis. Hij zegt: Als mijn vader en moeder Rooms waren geweest, dan was ik het toch ook geweest. Waar je in groot gebracht bent, blijf je in.
Laat ons dit voorop stellen: Indien de Heere tot ons niet kwam met Zijn Woord, nimmer zou er bij de mens een vragen naar de Heere ontstaan. Al willen wij nu niet zeggen, dat een roomse geheel zonder openbaring leeft, zo is deze dan toch zeer verduisterd en omzwachteld. Zo zien wij het dan ook, dat God hele geslachten voorbij gaat en in hun dolingen laat volharden. Toch worden er ook, van tijd tot tijd wel uitgehaald. Maar het is niet als in de dagen der Reformatie, dat veler ogen geopend worden.
Neen, wij behoeven niet uit de hoogte neer te zien op dezulken, en mogen liet veeleer ah een voorrecht aanmerkeiu dat de Heere in Zijn voorzienig bestel ons onder het vollere licht des Evangelies deed geboren worden. Maar, als wij het slechts uiterlijk volgen en deze klaardere openbaring en zuiverder prediking geen vrucht draagt in *ons hart en leven, als wij maar uiterlijk in die wegen volgen, dan zal het zijn; „Zij, die de weg geweten hebben, en niet hebben willen bewandelen, zij zullen met vele slagen geslagen worden.'' Als het maar een kwestie van opvoeding is en blijft, is het tekort.
Het is waar, wij kunnen het verband der dingen in Gods voorzienigheid niet naspeuren. Van achteren wordt het nog het beste gezien. Als iemand onder de waarheid geboren en opgevoed is, en genade wordt aan zijn hart verheerlijkt, dan zal hij het aanbidden en bewonderen, dat Gods weg alzo met hem geweest is en de Heere middelen en wegen deed samenlopen tot uitvoering van Zijn raad. Hellenbroek zegt het zo juist: dat God de middelen mede besloten heeft tot het einde.
Maar wij moeten niet trachten vooraf in Gods raad in te dringen. Dit, mijn jonge vrienden, is voor ons de weg: Van Gods voorzienigheid is dit ons bekend, dat wij leven onder het licht des Evangelies. Dat tot ons het woord der zaligheid isi geschied. Dat wij deze roeping niet kunnen verwaarlozen, en Zijn Woord niet achter onze rug kunnen werpen, zonder een grote schuld. Dat Hij het is, die ons Zijn gunste biedt en wacht om genadig te zijn. Dat dit alles ons moge aansporen en vervrijmoedigen, om Hem te zoeken, die het belooft (en Zijn Woord is waarachtig): Die Mij zoekt die zal Mij vinden.
Met hartelijke groeten verblijf ik,
Je vriend BARUCH.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1948
Daniel | 8 Pagina's