II. HET MAATSCHAPPELIJKE LEVEN.
1. Jacht en vistseijj.
De jacht schijnt de Israëlieten niet bepaald sympa. thiek te zijn geweest. Leest men ervan, dan is het meestal bij wijze van vergelijking en uit alles blijkt, dat men aan iets ongunstigs denkt. Ez. 19 : 8.
Nimrod en Ezau waren jagers.
Nimrods naam komt voor in de bekende volkerentafelvan Gen. 10. Hij begon geweldig te zijn op aarde, d.w.z. een machthebber, de eerste strever naar de wereldheerschappij. Hij wilde immers volgens vs. 10 een groot rijk stichten.
Maar tevens wordt van hem gezegd, dat hij een geweldig d.i. een machtig jager was voor het aangezicht des Heeren. Het verband wordt ons duidelijk, als we vernemen, dat de inscripties uit die tijd niet alleen de krijgsdaden, maar ook tegelijk de jachtavonturen der koningen vermelden.
Ezau was, wat we zouden kunnen noemen, een be roepsjager; en blijkbaar ook een meester in het klaarmaken van een heerlijk wildbraad.
Het doel van de jacht was tweeërlei: zich van een wildbraad voorzien, of zich en zijn kudden beveiligen tegen de aanvallen van roofgedierte, zoals leeuwen en beren.
Vooral in de buurt van de Jordaan, waar zich veel en dicht struikgewas bevond, moest men steeds op zijn hoede zijn. Vandaar, dat de herders niet alleen van speciaal herdersgereedschap waren voorzien, maar ook van jachttuig, teneinde met de ongewenste bezoekers (ook rovers) af te* rekenen.
Als jachtwapens worden vermeld: boog, pijl, werpspies, slinger en „stok".
De slinger was een band, die in het midden verbreed was. De uiteinden hield men vast, terwijl men in het verbrede deel een gladde steen legde. Na de slinger enige keren in het rond geslingerd te hebben, liet men een der uiteinden los en met een flinke vaart ging de steen in de richting van zijn doel.
Het is bekend, dat onder de Benjaminieten mees. ters in die kunst waren. Een 100-tal vormde in oorlogstijd zelfs een afdeling linkshandige slingeraars. Richt. 20 : 16.
De „stok" was een knods, waarvan de kop met ijzeren punten beslagen was. Ps. 23 : 4.
AI was Israël na zijn komst in Kanaan bijzonder een volk van veeteelt, landbouw en ooftteelt, toch mogen wij aannemen, dat er ook aan visserij werd gedaan. Num. 11 : 5.
11 : 5. Terecht wijst Wielemaker daartoe op de talrijke beelden aan de visvangst ontleend, welke we bij de Profeten aantreffen, al wordt de visserij zelf niet genoemd. O.m. Am. 4:2; Hab. 1 : 15—17.
Het laat zich dan ook moeilijk indenken, dat aan de kust van Palestina geen visserij zou uitgeoefend zijn. Na de ballingschap waren het de Tyriërs, die vis naar Jeruzalem brachten. Neh. 13 : 16.
In het N.T. wordt veelvuldig over visserij gehandeld. Vooral die op het meer van Galilea was zeer bekend en heden ten dage is het nog bekend door zijn grote visrijkdom. Het water van dit meer is zoet en goed drinkbaar. Hier en daar stijgen uit de meerbodem warme stromen op, gevolg van de vulkanische aard dier streek,
Deze warme plekken zijn een geliefkoosde verzamelplaats voor de talrijke scholen vissen.
De vissoorten, die hier voorkomen zijn een soort karper, schol of tong en voorts een meeryalsoort.
Deze laatste gold als onrein en mocht dus niet gegeten worden. Sommige schrijvers menen, dat wij hieraan denken moeten, als wij lezen in Matth. 13 : 48, dat de vissers het kwade wegwerpen. Zij wierpen deze vissen echter niet terug in het water, maar op het strand, waar ze een welkome prooi voor de roofvogels waren. Ez. 32 : 3, 4.
De vissersschepen waren (zijn) zeer .klein: eigenlijk in de vorm van een grote roeiboot, zonder dek.
Aan de mast hangt een lange ra, waaraan een puntzeil is bevestigd. Met een enkele handbeweging kan het touw gevierd en dus de ra met het zeil gestreken worden.
Dit is nodig tegen de soms plotseling opkomende stormen, die uit dé Oostelijke bergspleten op het meer slaan en dit in hevige beroering brengen.
Bij het vissen maakt men gebruik van netten en haken.
Er zijn drieërlei soort netten.
Het werpnet is maar klein, rond van vorm, met een diameter van 3—5 m. Aan de rand zitten loodjes en een rijgtouw. De visser loopt een eind het water in en werpt het net behendig op de oppervlakte. Het zinkt natuurlijk snel. Na enige tijd trekt hij de rijglijn in, het net sluit zich en de vis is gevangen. Lees nu Matth. 4 : 18.
Het sleepnet (de zegen) is vanzelf veel groter:200— 250 m lang, in 't midden 5 m, aan de einden 3.75 m breed.
Het hangt tussen twee schepen. Het wordt uitgezet in diep water en dan gaat het in de richting van het strand. Hier wordt het net met de inhoud aan de wal getrokken.
Voor het gebruik van dit net is een vlakke meerbodem nodig.
Zulk een net wordt bedoeld in Matth. 13 : 47 en is hier beeld van het Koninkrijk der hemelen.
Er is echter nog een derde soort in gebruik. Hiervan lezen we in Luk. 5 : 1—11, waar het meervoud netten is gebruikt: en lette daarop.
Het bestaat n.1. uit drie netwanden, ieder 15 m lang, die door twee lange dikke touwen aan elkaar verbonden zijn. De buitenste netten hebben mazen van 12 cm, het binnenste mazen van 2V2 cm.
Op de bovenrand zitten kurken met aan de uiteinden bussen of tonnen; aan de onderkant zijn stukken lood bevestigd. Natuurlijk kan dit net alleen in diep water gebruikt worden. Nadat het voorzichtig uitgezet is, varen de vissers langs het net en slaan met de riemen in het water.
Men begrijpt het gevolg. De verschrikte vissen zwem. men door de wijde mazen, maar komen zo in de nauwe terecht.
De vangst varieert van nul tot enkele duizenden kilogrammen.'
Het vissen, althans met de netten, heeft 's nachts plaats. Daarom zal Petrus wel vreemd opgekeken hebben, toen de Heere hem gebood, overdag, met het net te gaan vissen (Luk. 5:4, 5). Gelukkig voor hem liet hij er op volgen: och op Uw woord zal ik het net uitwerpen. Wie weet hoe hij twijfelde aan de goede afloop. Zie maar vs. 8. Hij schaamde zich weg.
Ook de angel wordt gebruikt, verbonden aan een lang snoer.
In de dagen van de Heere Jezus kende men blijkbaar geen hengelstok. Zie Matth. 17 : 27.
De kleding der vissers bestaat bij hun arbeid uit een ^kort hemd, reikend tot boven de knieën.
De gevangen vis werd voor een groot gedeelte gezouten en door 't gehele Oosten verhandeld.
Wellicht ontleende de stad Taricheae daaraan haar Griekse naam. Die naam is toch afgeleid van een Grieks woord dat pekel betekent,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1948
Daniel | 8 Pagina's