§ 19. DE STRIJD VAN AUGUSTINUS.
De Heere heeft Zijn knecht Augustinus grondig met zijn algehele verdorvenheid en onbekwaamheid ten goede bekend gemaakt. In Adam heeft het ganse menselijke geslacht aan God de oorlog verklaard. En indien er nu tóch sommigen van vijanden Gods in vrienden en gunstgenoten veranderen, dan kan daarvoor geen andere oorzaak zijn, dan alleen in God, Die vrij en souverein verkiest. Deze genadige liefde Gods, die in souvereine verkiezing, volkomen borgtocht en onwederstandelijke toepassing zich openbaart, is van eeuwigheid. In de tijd vergadert Zich Christus een gemeente ten eeuwige leven door Zijn Woord en Geest. Die roeping geschiedt niet onmiddellijk, maar middellijk door Christus' dienaren, - > die Zijn Woord verkondigen. Het instituut der kerk lag Augustinus daarom ook zo na aan het hart.
Die liefde tot Christus' kerk en zijn geestelijke doorleving en kennis van het leerstuk der Praedestinatie en der Erfzonde, bepalen Augustinus' strijd tegen Donatisme en Pelagianisme.
In de vorige paragraaf zagen we, hoe Augustinus allengskens uit zijn stille afzondering tevoorschijn werd geroepen: Uit zijn kluizenaars-bestaan tot de waardigheid van presbyter, daarna tot bisschop, tenslotte tot leider der Westerse kerk. De ontvouwing van zijn geweldige geestkracht hield met die stijgende invloed gelijke tred'.
Reeds als presbyter kwam hij in aanraking met het Donatisme, dat in Afrika grote opgang had gemaakt en veel invloed bezat. Het ontstaan van deze secte dateerde uit de Diocletiaanse vervolging (± 300). Ze was geboren uit geringschatting van de bestaande katholieke kerk. Volgens de Donatisten bevonden er zich onder de geestelijken bedrijvers van doodzonden, en daardoor had die kerk haar heilig karakter verloren. Zij verbonden dus, evenals de Montanisten, (§ 10), en de Katharoi, (§ 12 B), de heiligheid der kerk aan personen. Alleen had het heiligheidsideaal der kerk al wéér bescheidener vormen aangenomen: Immers, bij Montanisten en Katharoi moesten èlle leden vrij van doodzonden zijn, terwijl bij de Donatisten alléén de geestelijken maar aan deze eis behoefden te voldoen, om de kerk haar heilig karakter te laten behouden.
Vooral onder invloed van bisschop Donatus de Groote, naar wie zij dan ook genoemd is, vormde deze secte in Afrika een machtige tegenkerk. Al wie uit de Katholieke kerk overkwam, moest opnieuw worden gedoopt, want de Doop van de „onheilige" Katholieke kerk was volgens de Donatisten ongeldig.
In woord en geschrift heeft Augustinus deze tegenkerk bestreden. En vooral op het godsdienstgesprek te Carthago in 411 heeft hij haar kracht voor goed gebroken. Daar heeft hij aangetoond, dat de Heere nooit aan personen de heiligheid van Zgn kerk verbindt. Neen, die ( heiligheid ligt uitsluitend in datgene, wat de Heere aan Zijn kerk heeft geschonken, namelijk in de gaven van Woord en Sacrament. Aan de dwaling der Donatisten lag ook een verkeerd kerkbegrip ten grondslag. Omdat zij wettisch dachten en aan de mens een gerechtigheid en heiligheid in zichzelven toekenden, zagen zij de kerk niet als de gemeente der gelovigen, die alléén in Christus hun zaligheid, hun gerechtigheid en hun heiligheid zoeken, maar als een vergadering van mensen, die rechtvaardiger en heiliger waren, dan de wereld en de katholieken. (Wanneer wij van katholieken spreken, bedoelen wij daarmee de leden van de oude Katholieke kerk. De Roomsen moeten wij dan ook nooit katholieken, noemen, al willen zij dat graag!!). Nu heerste die verkeerde kerkbeschouwing waarlijk niet alléén onder de Donatisten, maar vrijwel in heel de Katholieke kerk! Daartegenover plaatste nu Augustinus een ander kerkbegrip. Volgens hem is de kerk enerzijds de vergadering der uitverkorenen, de gemeente der heiligen. Maar dat is de onzichtbare kerk, die zich aan onze waarneming onttrekt. De zichtbare kerk, het instituut met zijn organisatie van hogere en lagere geestelijken en leken, bevat zowel onkruid als tarwe, die samen rijp worden voor de oogst. Die zichtbare kerk is middelares der genade, het is de kring, binnen welke God in de regel Zijn genade uitdeelt. Zó legt Augustinus zéér sterka nadruk op het instituut der kerk, wat Rome later nóg sterker heeft doorgedreven. Maar dat bespreken we D.V. later wel!
Zijn grootste strijd heeft Augustinus gestreden met het Pelagianisme. Pelagius, een monnik van de Britse eilanden, maakte aanmerking op sommige uitdrukkingen in de „Belijdenissen" van Augustinus. Onder andere was déze zin hem een doorn in 't oog: Geef, Heere, wat Gij gebiedt en gebied dan wat Gij wilt." Zakelijk stemde dit woord overeen met Psalm 119 : 4 en 5: Heere, Gij hebt geboden, dat men Uwe bevelen zeer bewaren zal! Och, dat mijne wegen gericht werden, om Uwe inzettingen te bewaren!" En vs. 22: Ik zal het pad Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben." Maar van die levenshouding kon Pelagius niets begrijpen en véjen van zijn tijdgenoten, helaas, al evenmin! In de leer van Pelagius zien wij vrij getrouw de opvattingen der toenmalige Christenen weerspiegeld. Inderdaad, naar de mens gesproken, was het hoog tijd, dat Augustinus zijn stem in de kerk zijner dagen verhief! Wat Pelagius stelde, kwam in 't kort hierop neer: e zonde heeft de natuur niet aangetast, maar blijft: en op zichzelf staande daad. Ze komt niet voort uit des mensen aard, maar is een verkeerde wilskeuze, een misslag. Erfzonde is er niet, dus ieder begint bij zijn geboorte, evenals Adam, met een schoon register. Adam heeft door zijn zonde een verkeerd voorbeeld gegeven, dat wij kunnen opvolgen, maar ook kunnen afwijzen. Zondeloosheid behoort dus tot de mogelijkheden; dat ligt maar aan onze wil, die volkomen vrij is. De genade Gods openbaart zich hierin, dat Hij de mens toerust met een vrije wil, dat Hij hen de inzettingen geeft, di, e hij moet onderhouden en die in het Oude Testament en in de leer van Christus vervat zfln, en dat God ons in Christus het grote Voorbeeld gaf. Doen wij nu, wat God gebiedt, dan verdienen wg daarmee de zaligheid. De dood is niet een straf op de zonde, maar iets natuurlijks.
Voor deze opvattingen gevoelde de kerk wel! Wat in haar leefde, was door Pelagius tot uitdrukking gebracht. Maar daartegen trok nu Augustinus te velde.
Scherp en algeheel koos hij positie tegen deze gruwelijke leer. Daartegenover ontwikkelde hij zijn gedachten en deed uit de H. Schrift de Godverheerlijkende en dierbare leerstukken van Praedestinatie en Erfzonde herleven. In 't kort komen zijn gedachten hierop neer: Adam had vóór de val een vrije wil, die op 't goede gericht was. God stond hem in Zijn - genade bij, om in 't goede te volharden en zo was hij in staat, om niet te zondigen. Nochtans heeft hij gezondigd en daarmee Gods genadige bijstand'verloren. Zo werd hij des doodsschuldig en was hij geheel onbekwaam tot enig goed. Daardoor staat hij na de val onder de ellendige noodzaak van niet-te-kunnen-niet-zondigen. Hij kan niet anders dan zondigen. Al zijn nakomelingen hebben die verdorvenheid overgeërfd, daar de besmetting zich door de géslachtslust voortplant. Alleen Gods genade kan de mens redden. Daartoe heeft God van eeuwigheid een bepaald aantal mensen, Hem bij name bekend ter zaligheid uitverkoren, louter uit genade, niet óm, maar tót het geloof. In de tijd roept Hij hen op doeltreffende wijze tot geloof en bekering. Bovendien schenkt Hij hen de genade der volharding. Pas aan 't einde van iemands leven kan zrjn uitverkiezing blijken, namelijk uit de volharding der heiligen: Niemand kan het dus zeker weten, dat hij uitverkoren is. Zo houdt God Zijn volk nederig en klein. Deze onzekerheid is ook een spoorslag, om zich te beijveren in goede werken.
Deze opvattingen staan natuurlijk lijnrecht tegenover die van Pelagius. Over 't algemeen is de lijn der Schrift strak gevolgd, hoewel niet altijd. Opvallend is wel de grote nadruk op het heilig leven! En dat tegenover Pelagius en de kerkmensen, bij wie dat heilig leven tóch al zoveel nadruk had. Maar Augustinus wilde niets van het heilig leven è.f hebben. Hij stelde het alleen in haar Bijbelse licht: namelijk als opkomende uit de liefde, die God in het hart uitstortte!
Augustinus won! Zijn beroep op de Schrift was zo klaarblijkelijk juist, dat de Synode van Carthago in 418 hem in 't gelijk moest stellen. Ook Rome's bisschop, die aanvankelijk de zijde van Pelagius had gekozen, moest zijn houding wijzigen.
Toch was het Pelagianisme niet dood. Door de achterdeur kwam 't Half-Pelagianisme de kerk binnen. Dat wilde bemiddelen tussen Pelagius en Augustinus: De mens is nóch dood? (Augustinus), nóch gezond, (Pelagius), maar ziek. Door de val is de vrije wil verzwakt en nu heeft de mens Gods helpende genade nodig in meerdere of mindere mate. Genade en verzwaktvrije wil. God en mens werken dus samen de zaligheid uit. Er is geen absolute praedestinatie, die geen rekening zou houden met vooruitgeziene goede werken. Evenmin is er een onwederstandelijke genade.
Deze leer is na 100 jaar weliswaar door de kerk veroordeeld op de Synode van O r ange (het latere prinsdom van Willem de Zwijger!) en het standpunt van Augustinus is warm verdedigd door Caesarius van Arles, — maar die veroordeling was slap en men zweeg over de uitverkiezing. Zo is de kerk tóch tenslotte aan het Semi-Pelagianisme ten offer gevallen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1947
Daniel | 8 Pagina's