JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Briefwisseling met mijn jonge vrienden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Briefwisseling met mijn jonge vrienden

4 minuten leestijd

(30)

Waarde jonge vriend,

De vorige maal ben ik blijven steken omdat mijn papier vol was. Je vraag was niet zo gemakkelijk te begrijpen. Ik hoop dat uit het antwoord zal blijken, dat ik je goed begrepen heb.

Je schijnt dit te bedoelen: Iemand heeft genade en hij zondigt, niet alleen met gedachten, maar ook met daden (is daar wel wezenlijk verschil tussen? ); zijn consciëntie is bezwaard. Hij ervaart geen kennelijke wegneming van zijn schuld. De bezwaarnis van zijn consciëntie neemt echter af. Is het dan niet vleeselijk en onwijs van hem, dat hij bij zichzelf zegt: Indien God door Christus zich niet aan mijn ziel openbaart, zal ik eeuwig omkomen.

Mijn jonge vriend schijnt van gedachte te zijn, dat zo iemand op grond van zijn genadestaat moet zeggen: Al wordt mijn schuld niet in mijn eigen 'waarneming weggenomen, dan moet ik toch eraan vasthouden, dat ik naar de hemel ga als ik sterf, en dat op grond van mijn genadestaat.

Laat Baruch maar eens ronduit vragen: Denkt mijn jonge vriend dit van zichzelf?

Wil mijn jonge vriend de uiterste grenzen bepalen, hoever het met een kind van God komen kan? En wil hij zichzelf daarmee troosten en op de been houden? Dat is een gevaarlijke weg.

In mijn vorige brief heb ik al iets ervan geschreven, dat het heel ver kan komeri met een begenadigd mens, veel verder dan wij in de praktijk dikwijls aannemen. Het is dan ook merkwaardig, dat als we iemand van zonde gaan beschuldigen, wij het dikwijls nodig achten, eerst zo iemands genadestaat verdacht te gaan maken. Laat ons bedenken, dat ons oordeel, op grond der H. Schrift, is en blijft een oordeel der. liefde. Wij kunnen wel van ons eigen geloof verzekerd zijn, maar nief van eens énderst geloof, Want niemand kent de mens dan de . geest des mensen die in hem is.

Maar, om een antwoord te geven op de vraag: Het wil Baruch voorkomen, dat het eerder onwijs is, en v\eeschelijke gedachten vari God maken, om te redenen: Al beschuldigt mij mijn consciëntie, zo hoop ik toch, zo stervende, zalig te worden.

Let wel, . als wij geen antwoord hebben tegen onze beschuldigende consciëntie. Want het gaat er niet om, dat, als wc kwaad gedaan hebben (en er is geen mens die niet zondigt) onze consciëntie ons dat niet zoude aanzeggen, maar het gaat hiefom, of onze consciëntie ons deswegen kan benauwen: dus dat het een ongereinigde consciëntie is. Al is het, dat onze consciëntie ons aanklaagt, dan kunnen wij nochtans rechtvaardig voor God zijn, zoals vr. 60 van onze Catechismus zegt. Want wij zijn rechtvaardig voor God door een waar geloof in Christus Jezus; alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt, dat ik tegen alle de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent enz.

David leefde onder de verberging van Gods aangezicht. Tot Nathan kwam en David schuldig werd voor God. Toen heette het: De Heere. heeft ook. uw zonde weggenomen. David heeft het dat jaar ook niet goed kunnen redeneren met zijn genadestaat. Zijn consciëntie zal hem dat jaar ook niet altoos benauwd hebben.

Geloven is niet een droge redenering over Wat voor jaren met ons gebeurd is. Het geloof is een }evend geloof, geen dood geloof zonder de werken. Het reinigt ons hart, het draagt vrucht in ons leven.

Mijn jonge vriend heeft nog meer vragen op het hart. Hij vraagtj Hoewel Gods volk van de Heere geleerd wordt, het nog nodig is, elkaar vragen te stellen?

Hier in dit leven is het kennen ten dele. Zij die menen het gegrepen te hebben en geen lering en stichting onderling van elkaar meer te behoeven, die menen de door God verordende middelen te mogen verwaarlozen, zij geven meer blijk van onkunde, dan van te zijn wijs tot matigheid.

Baruch hoopt dat er onder zijn jonge vrienden en vriendinnen dezulken niet gevonden mogen worden.

Hartelijk gegroet

Je vriend BARUCH.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1947

Daniel | 8 Pagina's

Briefwisseling met mijn jonge vrienden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1947

Daniel | 8 Pagina's