DE BESPREKING
Wij danken onze inleider van deze avond hartelijk voor zijn mooi onderwerp en geven dit nu in algemene bespreking. Vooral onze jonge vrienden worden verzocht aan de bespreking deel te nemen. Stel gerust vragen, wij zullen elkander wel helpen.
Met aandacht hadden de leden naar de nieuweling geluisterd. Je kon het goed merken hoor, dat dit zijn eerste keer was. Met een kleur, een beetje hijgend raffelde de jongen zijn opstel af. De zinnen buitelden over elkaar heen, zodat niemand de draad kon volgen.
Zuchtend laat de inleider zich nu op de stoel vallen, vast besloten de hele verdere avond geen mond meer open te doen, al kwamen er ook honderd vragen.
Toch, de voorzitter had het mooi gevonden en dit streelt hem een beetje.
Op de anderen maakt dit geen indruk meer; het zou ongewoon zijn als een onderwerp eehs niet geprezen werd.
De vragen komen los; eerst schuchter, dan gaat het vlotter. De inleider beantwoord alles met hoofdschudden en schouderophalen, wat niet verhindert dat spoedig een groepje in heftig debat is gewikkeld over: hoe het kwam, dat koning Josia, die toch in oprechtheid de Heere diende, reeds op 39-jarige leeftijd moest sterven en of het gevonden wetboek hetzelfde was, dat eeuwen geleden op bevel van Mozes door de Levieten aan de zijde van de-ark was gelegd.
Zo verloopt de bespreking.
Het uur is bijna om.
Heeft iemand nog iets te vragen?
De jongere vrienden sluiten hun Bijbel reeds.
Maar dan klinkt opeens een stem: Ja voorzitter, ik wilde eens vragen: Ik lees hier dat koning Josia in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, de God zijns vaders Davids begon te zoeken; is dat toen een oprecht zoeken geweest? De inleider schudt heftig van ja. Ook de andere vrienden beamen dit.
Vrienden zegt de voorzitter, ik ben blij, dat deze vraag gesteld wordt. In het leven van Josia komt uit, dat wanneer wij van onze jeugd aan de Heere dienen, wij voor veel besmetting der wereld bewaard blijven. De wroeging van een verloren leven blijft hem gespaard. Want hierin heeft de Heere een welgevallen dat wij Hem vroeg zoeken. Dan laat Hij Zich vinden. God Zelf maakt Josia zoekende en doet hem vinden. En Wien zoekt hij? De Schrift antwoord: de God zijns vaders Davids. En hierin ligt veel opgesloten. Eeuwen zijn voorbijgegaan sinds David leefde. In menig opzicht heeft de wereld een andere gedaante gekregen, maar God is Dezelfde gebleven. En nu zegt deze jongeling niet: ik kan bij al dat oude niet meer leven, want ik moet wat anders hebben dat gepast is voor een nieuwe tijd neen, maar hij zoekt dezelfde-God als zijn voorvader David. Velen uit Davids geslacht hebben in de loop der tijden de God huns vaders verlaten, doch Josia begeert die God tot zijn deel, Die een toevlucht is geweest van geslacht tot geslacht en Die van eeuwigheid tot eeuwigheid God is.
Vrienden, zulk een begin moet er zijn. Hebben wij godvrezende ouders, verkeren wij in een godsdienstige omgeving, er moet voor ons allen een tijd komen, dat wijzelf de God onze vaderen zoeken. Ieder kan slechts van zijn eigen geloof leven. Zo spreekt de voorzitter, de vrienden Itnsteren.
Er wordt slechts een korte pauze gehouden, het is later geworden dan anders. Als allen weer naar huis gaan, gaat de voorzitter alleen door de donkere straten van zijn dorp en is hij innerlijk blij, dat zich deze avond zulk een mooie gelegenheid voordeed om jonge mensen de dienst des Heeren aan te prijzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1947
Daniel | 8 Pagina's