JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Briefwisseling met mijn jonge vrienden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Briefwisseling met mijn jonge vrienden

5 minuten leestijd

(25)

Waarde jonge Vriendin.

Van de brief bleef nog het volgende ter beantwoording over, Je schreef: Dikwijls hoor ik zeggen, dat God ons bekeren wil, en niet wil dat ivij verloren gaan. Waarom doet de Heere dat dan niet, terwijl ik steeds weer UIT de kerk ga, zoals ik er IN gekomen ben, en ik toch vooraf een zegen vraag?

Ja, daar heb je weer de moeilijke vraag. Het schijnt wel een teken des tijds te zijn, dat deze zo vaak opgeworpen wordt. Nauwelijks is er in onze dage'n een leergeschil, waar deze vraag niet achter zit. Wordt, wel bezien, het geschil over het genadeverbond ook hierdoor niet beheerst?

Je hebt zeker op de catechisatie uit Hellenbroek wel geleerd, dat we op grond van de Schrift onderscheidenlijk spreken kunnen van een wil van Gods besluit (verborgen wil), en een wil des gebods (geopenbaarde wil)? Daarmede zeggen wij niet, dat er twee willen in God zijn; zover zijn we gelukkig nog niet.

Nu kunnen wij met onze redenering deze beide in Gods Woord geopenbaarde zaken niet overeenbrengen. Voor ons bewustzijn ontstaat hier een spanning. Beschouwt men de zaken van de verborgen raad Gods uit, dan zegt men: Die God wil zaligmaken, komt er; en anders komen wij er niet. Beschouwt men dc zaken uit het gezichtspunt van Gods bevel, dan zegt men: God wil, dat alle mensen, die Hij het Evangelie laat prediken, geloven en zalig zullen worden.

Wordt het eerste gepredikt, het dient tot vernedering van 's mensen hoogmoed, tot troost van hen, die zo vernederd zijn, en verwekt jaloersheid bij hen, die het oprecht zoeken. Maar in de verkondiging van het Evangelie aan arme zondaren, zal toch inzonderheid het tweede, de geopenbaarde wille Gods, gepredikt moeten worden. Hellebroek vraagt: Naar, welke van die twee moeten wij ons gedragen? en antwoordt: „Naar de wil des bevels, want de wil des besluits is ons onbekend." Let er wel op: Deze betreft niet alleen de wet, maar ook het Evangelie. Door het Evangelie worden wij geroepen; dat wordt ons verkondigd en voorgesteld, met bevel van bekering en geloof. Dat is Gods'geopenbaarde wil. Naar deze hebben wij ons te gedragen. Naar deze zullen wij geoordeeld worden voor Gods rechterstoel. Hier hebben wij niet nieuwsgierig in te dringen in Gods verborgen besluit. Het is waar, gelijk het reeds het gans vrije welbehagen Gods en onverdiende liefde is, dat ons, in onderscheiding van anderen, dat Evangelie gepredikt wordt, zo is het, meer nog, vrije genade, als wij geroepen zijnde, komen en bekeerd worden. Maar van het Tiict-komen blijft de mens altijd de schuld.

Sommigen zullen dit standpunt tweeslachtig noemen. Het zij zo. Maar Baruch houdt het dan maar bij die Bijbelse tweeslachtigheid en wenst niet de rede ten troon te verheffen.

Onze bedorven rede zegt: , , Nu ja, eigenlijk wil God toch weer NIET, dat ik bekeerd wordt. Zijn vrijmachtig welbehagen, Zijn verborgen raad, gaat door. Hoe zou God mij dan kunnen beschuldigen, dat ik niet geloofd heb en niet bekeerd ben? Immers, Hij ontfermt zich, diens Hij wil, en verhardt, wie Hij wil. Wat klaagt God dan nog, want wie heeft Zijn wil wederstaan? "

Zo formeren wij in ons hart harde gedachten van God; bemantelen wij ons kwaad; bedekken wij onze afkerigheid; vragen vóór de prediking een zegen, en zeggen eigenlijk in ons hart: , , Heere, nu ziet U het: ik ben gewillig. Als U nu zo gewillig bent als ik, dan ga ik niet uit de kerk, zoals ik er in gekomen ben."

Maar, wat geloven wij van het ivoord, dat de Heere Jezus, wenende over Jeruzalem, uitroept: „Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uliedcn willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder haar vleugelen, maar gijlieden hebt niet gewild. Zie uw huis wordt u WQest gelaten."

Wat hierop te antwoorden? Niet anders, dan wat Paulus antwoordt: aar toch, o mens! wie zijt gij, die tegen God antwoordt? zal ook het maaksel tot degene, die het gemaakt heeft, zeggen: aarom hebt gij mij alzo gemaakt? (Rom. 9 : 18—20).

De ten troon verheven REDE weigert beide gelijktijdig te aanvaarden, omdat zij het niet rijmen kan. Gods Woord leert het ons anders. De eerste prediking onder de nieuwe bedeling legt daar getuigenis van af. Petrus verkondigde het op de grote Pinksterdag beide, en als in één adem, zeggende: Deze (Jezus), naar de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de hand der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood." (Hand. 2 : 23). Toen zeiden de Pinksterlingen niet: elnu, als het dan naar de bepaalde raad en voorkennis Gods is, dan kunnen wij er niets aan doen, dan hebben wij geen schuld. Neen, zij werden verslagen in hun harten.

De Heere bewa'c ons bij de eenvoudigheid van Zijn Woord, waarin Zijn souvereiniteit zowel uit schittert in Zijn eeuwige raad, als in de verkondiging van het Evangelie der genade aan ons.

Ik eindig met de hartelijke groeten aan al mijn vrienden en vriendinnen, en noem mij als steeds Je vriend

BARUCH.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1947

Daniel | 8 Pagina's

Briefwisseling met mijn jonge vrienden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1947

Daniel | 8 Pagina's