§ 16. HET MONNIKENWEZEN.
Vrijwel van de aanvartg af waren er mensen in de kerk geweest, die zich van de grote massa onderscheiden hebben door hun angstvallig vermijden van allerlei genietingen, die God aan de mens geschonken heeft, en door strenge onthouding van spijs, di'ank .huwelijk, enz., om een leven te leiden van vasten, bidden, waakzaamheid en zelfkastijding. Zulke mensen'worden aangeduid met de naam van Asketen. Voorlopig kwam het nog niet in hen op, om alles te verlaten en in de eenzaamheid te gaan leven. Ze bleven onder de mensen verkeren en hun beroep waarnemen.
Maar in deze tijd, toen pracht en praal de kerk bin-% nendrong en de verwereldlijking hand over hand toenam, werd meer en meer de neiging openbaar, om de verlokkingen der wereld te ontvlieden, de eenzaamheid tot woonplaats te verkiezen, om daar een leven van soberheid, strenge zelftucht en overdenking van geestelijke zaken te leiden, en zó een levende aanklacht te vormen tegen de zonde d^r kerk.
Deze eenzaam levende asketen werden heremieten of kluizenaars genoemd. Het meest bekend is Antonius. Deze kwam onder de indruk van het verhaal van de rijke jongeling uit Matth. 19. Wat Christus aan die jongeman opdroeg, wilde Antonius in practijk brengen: Hij verkocht alles, wat hij had, (en dat \vas inderdaad niet weinig), en gaf het de armen, om daarna de eenzaamheid in te trekken en daar rustig met God te kunnen verkeren. Maar de eenzaamheid alléén was hem nog geen verloochening genoeg! Daarom ging hij in een grafspelonk zich vestigen; nog later in een verlaten kasteelruïne en tenslotte in een onherbergzaam rotsgebergte. Een grote roep van heiligheid ging er van hem uit en velen kwamen bij hem om raad en bijstand. Hij stierf in 356 op 105-jarige leeftijd! De Roomse kerk verklaarde hem later voor heilig.
Onmiddellijk vond zijn voorbeeld zeer veel navolging, vooral in zijn omgeving, namelijk Egypte. Talrijke andere monniken trokken de woestijn in, om kluizenaar te worden. Weldra gingen verschillende van deze kluizenaars zich tot groepen verenigen. Meestal vond dit zijn oorzaak daarin, dat leerling-monniken zich in de onmiddellijke nabijheid en onder persoonlijke leiding van een algemeen geachte heremiet wilden stellen. Die leidinggevende heremiet noemden zij „Vader".
Maar de eigenlijke grondlegger van het kloosterwezen is Pachomius geweest. Deze Pachomius begon in £20 het leven van zijn leerlingen aan bepaalde vaste regels te binden, die weldra bij alle andere groepen ingang vonden en zo algemeen werden overgenomen. Die regels waren: Volkomen gehoorzaamheid aan de kloosteroverste, die abt genoemd werd, (de „Vader" dus!); strenge tucht, voornamelijk tegen kuisheidszonden; geen persoonlijk bezit; voortdurende geestelijke oefeningen en andere arbeid. Voorlopig was de gelofte van levenslange verbintenis nog onbekend.
Weldra volgden ook vrouwen het voorbeeld dezer monniken. Zo werden ook nonnenkloosters gesticht, waarbij Pachomius zich eveneens verdienstelijk maakte. Aanvankelijk stond de kerk vrij huiverig tegenover de ontwikkeling van het monnikenwezen. Het scheen dan ook in het begin een bolwerk van vroomheid tegenover de verwereldlijkte kerk te zullen worden. Maar weldra veranderde de kerk haar houding. Ze leidde het kloosterwezen in kerkelijke banen en nam het op in de machtige organisatie der kerk. Zó kwamen de monniken, die eigenlijk de wereld wilden ontvluchten, weer hoe langer hoe meer midden in die wereld te staan, om door hun voorbeeld remmend te werken op de toenemende doorvloeiing en afglijding. Daarmee was zowel aan kerk als aan klooster een grote dienst bewezen. De kerk onderging de gunstige invloed, die het klooster op het volk uitoefende, het klooster kon zich onder de bescherming der kerk beter ontplooien, dan anders het geval zou zijn geweest. Nü kreeg het monnikenwezen de grote kans om zijn vleugels wijd uit te slaan. In de kloosters zou voortaan de theologie der kerk haar voortzetting vinden; monniken zouden dikwijls tot Paus worden gekozen.
De monnikenvroomheid droeg van de aanvang af het stempel van eigengerechtigheid. Antonius had indertijd de wenk van Christus aan de rijke jongeling misverstaan. Hij had niet begrepen, dat die opdracht van Christus niet door Hem gegeven was, om letterlijk opgevolgd te worden, maar om de jongeman te ontdekken aan zijn gebrek van het belangrijkste deel: de liefde, die de vervulling der wet is. Door letterlijke uitvoering van dat goddelijk bevel meende Antonius aan de eis der wet te voldoen. Maar inderdaad betekende zijn handelwijze niet anders, dan een aanfluiting van het Evangelie, een verloochening van het kruis van Christus. En evenzo was het met de kloostervroomheid in 't algemeen gesteld. Het verbreken van alle familiebetrekkingen, het verlaten van de wereld, het verzaken van het bezit, de dagelijkse zelfkastijding, het slapen in zittende houding, het dragen van harige kleding, die 't lichaam openreet, de opzettelijke lichaamsvervuiling, het slepen van zware kettingen, 't angstvallig vermijden, om een vrouw aan te zien, — wat was het anders dan een buigen voor de afgod van het Eigen Ik? Inderdaad: monnikenwerk! Om de Mammon van verwereldlijking te ontlopen, vluchtten de kloosterlingen in de armen van - Mozes. Maar Christus en Zijn gerechtigheid konden ze missen!
Zo was het kloosterwezen een teken des tijds. Wie niet met de algemene verwatering en verwereldlijking meedoen kon, trachtte de kwaal der kerk te genezen met eigengerechtige vroomheid. Het enige middel, de enige Middelaar, werd voorbijgezien.
Maar nu wij! Hoövelen van ons, die in wezen niet minder wettisch denken en leven en niet minder waarde hechten aan onze eigen gerechtigheden en ons „fatsoenlijk" leven, hebben al die zware lasten, die de monniken zichzelf oplegden, voor onze zielsrust over? Wij ademen, zolang we niet van die zandgrond der godsdienstigheid zijn afgebracht, in dezelfde dampkring als de kloosterlingen. Wanneer je denkt, met werken de zaligheid te kunnen verdienen, werk dan ook!
Dat betekent geenszins, dat we voor die wettische dwaasheid willen pleiten. Christus sprak het „Wee U!" over de Farizeën uit!
Aan de andere kant. Er waren er aldaar óók, die Christus waarlijk nodig gekregen hadden als volkomen Zaligmaker. Er waren er, die de wereld ontvloden
en hun toevlucht vonden in een klooster, om daar de Rots der eeuwen te leren kennen. Veelal wérd uitsluitend in de kloosterstilte en - afzondering de werkelijke Godsvrucht gevonden. Dat zullen we in 't vervolg nog zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1947
Daniel | 8 Pagina's