Vaderlandse Geschiedenis
5. De Kruistochten.
Het is niet mijn bedoeling diep op dit geschiedenisonderdeel in te gaan, maar kort op de maatschappelijke gevolgen voor deze landen te wijzen.
Voorop sta, dat niet louter godsdienstige beweegredenen tot de tochten noopten. Dat moge bij een Urbanus II en verdere kruispredikers het geval zijn geweest; „veel kruisvaarders van de 11e, 12e en 13e eeuw wer-„den gedreven door zucht naar avonturen, lust om roem „en eer te behalen, begeerte naar geld eh goed, naar „buit van de gevloekte Saracenen" (Blok).
Ook Hollandse graven en edelen hebben er deel aan genomen.
Zelfs vóór de officiele le kruistocht deed reeds Dirk III van Holland een tocht naar het Heilige Land.
Floris III stierf bij het beleg van Antiochië (1190) en zgn zoon Willem I streed tegen de Mohammedanen in Portugal en Egypte; nam ook deel aan de vermeestering van de vesting Damiate.
En wat zijn nu de gevolgen der Kruistochten voor deze landen geweest? Toenemend handelsverkeer met het Oosten, vi$ de de Italiaanse steden; opkomst onzer handelssteden; vermindering van de lijfeigenschap; invloed op wetenschap, literatuur en kunst; op de nijvêrheid: weelde-artikelen en zijdeteelt.
Daartegenover staat dat massa's mensen te gronde gingen en de macht der pausen zeer steeg.
6. Binnenlandse politiek.
Behalve met tegenstanders van buiten hadden de Hollandse graven ó'ök te maken met tegenstanders van binnen.
Immers in hun gebied kwamen bezitters van allodia of vrij-eigenheerlrjkheden voor. En deze edelen bedankten er voor de graaf als hun souverein, hun gezaghebber, te beschouwen. Op zijn mooist was hij „primus in ter pares" d.w.z. „de eerste onder gelijken".
Dat dit tot botsingen moest leiden, laat zich begrijpen. Het is vooral Floris V geweest, die de strrjd met deze machtige heren heeft aangebonden.
Vooraf verzekerde hij zich van de steun der steden, die hij door schenking van privilegiën nauwer aan zich verbond.
Over de opkomst der steden hoop ik later afzonderlijk te handelen.
De allodiale heren begrepen natuurlijk zeer goed, dat de graaf het op hun onafhankelijkheid gemunt had en scholden hem voor „der keerlen god".
„Kerel" heette bg hen al wat niet-edelman was.
Weldra zou er een bittere strijd tussen beide partijen uitbreken. Aanleiding daartoe gaven de toestanden in Utrecht.
Van 1267—1290 regeerde daar de elect Jan van Nassau. Hij was n.1. bisschop, maar niet als zodanig gewijd. Deze kneeg het aan de stok met de edelen Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden; ook met zijn hoofdstad Utrecht lag hij overhoop. Floris werd scheidsrechter in deze twisten en kreeg feitelijk de macht in handen.
Zo werd beloofd, dat bij ev, keuze van een bisschop Floris adviseur zou zijn. Voorts verkocht bs. Jan van Nassau hem het recht om samen het Nedersticht, het gebied tussen Node en Bodegraven, te besturen. Floris trok nu tegen Amstel en Woerden op, die telkens invallen in het Nedersticht deden.
Het einde was, dat Amstel Gooiland en Muiden, in leen van de bs. van Utrecht, aan Floris moest overdragen.
Beiden moesten bovendien hun allodia aan de graaf afstaan en kregen ze daarna in leen terug.
Zo ging het ook met Gerard van Velzen, de heren van Heusden en Kuik.
Zij moesten nu hofkleding dragen en toen een neef van Van Velzen een manslag had gepleegd ep ter dood veroordeeld werd, nog wel ondanks de voorspraak der edelen, toen een 40-tal horigen de vrijheid herkregen, toen bekwame mannen van lage geboorte allerlei waardigheden verkregen, toen liep de maat over.
Zij stelden zich in verbinding met Floris vijanden, n.1. Eduard I, koning van Engeland en de Vlaamsgezinde partij in Zeeland, wier hoofden Wolfert van Borselen en Jan van Renesse waren. De oorzaak van de vijandschap was de volgende:
Was de verhouding tussen Eduard en Floris aanvankelijk zeer vriendschappelijk, zodat zelfs Floris' zoon Jan I met de dochter van de koning verloofd was, dit veranderde, toen in 1286 het Schotse koningshuis uitstierf en Floris aanspraak maakte op de troon.
Hierover was Eduard zeer gebelgd.
Bovendien vermoedde de koning, dat de graaf van plan was een andere zoon, Witte van Haamstede, tot opvolger te benoemen.
Nog iets. Eduard had de stapel van Engelse wol van Dordrecht naar Brugge en Mechelen verplaatst, teneinde graaf Guy als bondgenoot te krijgen in de oorlog tegen Filips de Schone van Frankrijk. Toen koos Floris de zijde van Frankrijk.
De verdere geschiedenis is bekend.
De graaf wordt naar Utrecht gelokt, zogenaamd om een twist te beslechten tussen enkele edelen. De waarschuwing van een oud vrouwtje slaat hij in de wind. Hij gaat zelfs met de vijandige edelen ter valkenjacht en wordt gevangen genomen.
Zij voeren hem naar het Muiderslot, teneinde hem over de Zuiderzee naar Engeland te voeren. Dit mislukt.
Door een misleidend schrijven trachten zij de belegerende boeren tot aftrekken te bewegen en de ongelukkige graaf naar Vlaanderen of Brabant te voeren.
Een gruwelijke moord volgde (1296).
Amstel en Woerden ontkwamen het, maar Velzen werd in zijn slot Kronenburg belegerd en stierf een vreselijke dood.
Floris werd opgevolgd door zijn zpon Jan I. Deze stierf reeds in 1299 kinderloos. Daarmee kwam er een eind aan het roemruchte Hollandse gravenhuis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1947
Daniel | 8 Pagina's