JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

5 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan: F. Molenaar, Leede 18, Rotterdam-Zuid.

H. J. v. W. te L. schrijft: Ik las in een boekje van Rutherford, getiteld: De verloren zoon", dat wij'Christus Vader mogen noemen, omdat Hij vele kinderen heeft en in Hebr. 2 : 13 staat: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft".

Deze tekst verwijst naar Jes. 8 : 18 waar „ik" met een kleine letter staat en op Jesaja slaat.

Nu zou ik willen vragen hoe die tekst verstaan moet worden en of hij door Gods volk niet verkeerd gebruikt wordt ?

Antwoord: at Hebr. 2 : 13 betreft merk ik op, dat Hebr. 2 spreekt over de heerlijkheid van Christus.

In het 9e vers lezen we: „Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en ere gekroond enz." en in het 10e vers: „Want het betaamde Hem (n.1. God, de Vader), om Wien alle dingen zijn en door Wien alle dingen zijn, dat Hij 'vele kinderen; (d.i. zonen, waarvan Christus de Eerstgeborene wordt genoemd) tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman (n.1. Christus) hunner zaligheid door lijden zou heiligen.

In het 11e en 12e vers lezen we: „Want en Hg, die heiligt en zij die geheiligd worden zgn allen uit één, om welke oorzaak Hij (d.i. de Zoon Gods, of de Leidsman hunner zaligheid) zich niet schaamt hen broeders te noémen, zeggende: „Ik zal uw naam mijn broederen verkondigen ; in het midden der gemeente zal ik u lofzingen."

Nu krijgen we het 13e vers: En wederom: Ik zal mijn betrouwen.op hem stellen. En wederom (met aanhaling van Jes. 8 : 18): Ziehier Ik (n.1. Christus) en de kinderen, die God Mij gegeven heeft".

De kinderen Gods zijn de gegevenen van den Vader aan Christus, omdat Christus Zichzelf voor hen geheiligd heeft. Daarom is Hebr. 2 : 13 in volstrekten zin alleen maar van toepassing op Christus.

In afgeleiden zin kan het ook van toepassing zijn op die van Gods volk, die als middel zijn gebruikt in Gods hand tot bekering van anderen. Die bekeerlingen worden dan wel eens genoemd geestelijke zonen of dochteren of geestelijke kinderen van hem of haar, die als slijk in Gods handen gebruikt werden tot meerdere glorie van Christus' Middelaarskroon.

Als Jesaja 8 : 18 zegt: Ziet, ik en de kinderen, die de Heere gegeven heeft zjjn tot 'tekenen en wonderen in Israël enz." dan staat Jesaja hier te midden van een krom en verdraaid geslacht als een teken, dat van alle zijden weersproken wordt.

Zij zijn onderling door de gemeenschap des ljjdens verbonden en maken de tegenwoordige tijd tot een voorbeeld en een voorbereiding van het lijden, dat In Christus is.

Terwijl nu de beide zonen van de profeet in hun namen de betrekking van de gemeente tot de Heere naar haar beide delen vertegenwoordigen, de een het overblijfsel, dat bekeerd en gered wordt, de ander het deel, hetwelk het teken des naderende gerichts aan het voorhoofd draagt, verschijnt Jesaja zelf, die met de anderen lijdt, hun tot heil, als voorbeeld van de Heere Jezus en neemt geheel daar de plaats van middelaar in.

Jesaja daar staande bij' het begin van een tijd des gevaars en der verzoeking, voor de zijnen biddende, legt de Geest Gods hem, die een type van Christus is, woorden in de mond, die eerst in Christus hun volle betekenis verkrijgen.

H. te P. vraagt of de aarde niet ouder is dan 6000 jaar, dit in verband de steenkolen, die uit de aarde gddolven worden.

Antwoord: Steenkool is een der belangrijkste delfstoffen, die we op aarde vinden. Ze is ontstaan uit overblijfselen. van planten, wat mén soms nog zien kan aan afdrukken in of op steenkool. Er bestaat dan ook geen verschil in samenstelling tussen steenkool, bruinkool en veen, alleen het verschil in ouderdom van overigens gelijk materiaal veroorzaakt het verschillend uiterlijk. Op de duur kan uit veen, bruinkool en later steenkool ontstaan.

Geologen zeggen, , dat dit vele duizenden jaren duurt. Dat dit niet in strijd behoeft te zijn met de leer der H. Schrift, dat de aarde ongeveer 6000 jaar bestaat, wil ik op 3 gronden bewijzen.

le. Kan God de steenkool wel in de aarde geschapen hebben.

2e. Heeft God, toen de zonde in de wereld gekomen was, het aardrijk vervloekt. Die vloek is doorgegaan, niet alleen in planten-en dierenwereld, maar ook in de delfstoffenwereld, wat de apostel deed uitroepen: „Het ganse schepsel zucht".

Wie zal zeggen, welke veranderingen er hebben plaats gehad in het hart der aarde?

3e. De geweldige wereldcatastrophe, de zondvloed in Noachs dagen, heeft wellicht grote veranderingen teweeg gebracht, ook wat de delfstoffenwereld betreft.

Een lezer van „Daniël" vraagt verklaring over Spreuken 29 vers 13, waar we lezen: „De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de Heere verlicht hun beider ogen".

Antw.: Het woord „bedrieger" betekent in de grondtaal letterlijk: een man van kwellingen, d.i. een plager, een verdrukker, in het bijzonder der armen, o.a. door hun geld op woeker te lenen en zich ten hunnen koste op onrechtvaardige wijze te verrijken.

Van hen wordt gezegd, dat God hun beider ogen verlicht. Dit toont aan met hoeveel wijsheid de Heere Zich bedient van mensen van zeer verschillende aard en bekwaamheid om Zijn doeleinden tot stand te brengen.

Sommigen zijn arm en genoodzaakt te lenen; anderen zijn rijk en hebben veel van de goederen der wereld. In deze tekst zie ik de eerlijke arme tegenover de bedriegelijke rijkaard. Over beiden doet God Zijn zon schijnen, gevende aan elk gemakken en genoegens van dit leven. Krachtens Zijn souvereine liefde, geeft Hij zelfs aan sommigen van beide soorten Zijn genade. Hij verlicht de ogen der armen door hun geduld te geven opdat zij hun weg in lijdzaamheid zullen gaan. De verlichting der ogen bij de bedrieger werkt berouw en bekering evenals bij Zacheus, die nadat hij uit de boom was gekomen, de Heere Jezus met blijdschap in zijn huis ontving en uitriep: „Zie de helft van mijn goederen, Heere, geef ik de armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1947

Daniel | 8 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1947

Daniel | 8 Pagina's