HET Huwelijk
5.
Het ontwaken (II).
Er zijn er die de mening zijn toegedaan, dat deze ontwakende begeerte tot de gehuwde staat zonde is, en dies moet onderdrukt. Zeker, ook hier werkt de zonde verwoestend en verstorend. Maar, we hebben het reeds gezien, het huwelijk is een Goddelijke instelling. Meer nog, het is een instelling, die stamt uit het paradijs. Het is er niet om der zonde wil, al zal dan, om der hoererij wil, een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben. Dit laatste wil niet zeggen, dat om der zonde wil het huwelijk nü monogaan (dat is: ussen één man en één vrouw) moet zijn, terwijl het in de staat der rechtheid „vrij" zou zijn geweest. Neen, om der zonde wil moet het monogame huwelijk nü door voorschriften worden beveiligd. In de staat der rechtheid zou dat een vanzelfheid zijn geweest, zoals blijkt uit Mal. 2 : 15: Heeft Hij niet maar énen gemaakt, hoewel Hij des geestes overig had? En waarom die énen? Hij zocht een zaad Gods. Daarom wacht u met uwe geest, en dat niemand trouwelooslijk handele tegen de huisvrouw zijner jeugd." Zulk een bewering toch, wij wezen er reeds op, is een doperse dwaling en zij meenden dat het herstel door de genade terugbracht naar zulke „paradijs'oestanden".
Zonder dat zich de gedachte altijd nog richt op een bepaald persoon, ontstaat er een drang en neiging tot de andere sekse. In de puberteitsjaren (geslachtsrijping) treedt er een andere gedachtegang in. Het zijn de jaren, waarin de jongens en ook de meisjes zo bijzonder ongenaakbaar en ongemakkelijk zijn. Een leeftijd, waarin opvoeders zo bijzondere moeilijkheden met hun pupillen ondervinden. Waarin zo ontzettend veel geduld vaak geëist wordt. Zij gaan een eigen kijk op de dingen krijgen; ze willen nu zelfstandig zich een oordeel vormen. Straks luwt deze storm en verkeert de ongenaakbaarheid in het tegendeel. Men mene echter niet, dat daarmede het jonge mens terugkeert tot zijn vroegere toestand. Hij keert daarmede niet terug tot dezelfde verhouding van voorheen tegenover vader en moeder. Het gemoed en de genegenheden richten zich thans niet zozeer naar binnen tot de eigen familiekring. Neen, ze richten zich, vaak onbewust, naar buiten. De
belangstelling keert zich meer dan tevoren naar het volle leven. Nu wordt van kracht, hetgeen God gesproken heeft: Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zal zijn vrouw aankleven en zij zullen tot één vlees zijn. Ze«sluiten zich min of meer op in hun oordeel, in hun kijk op de dingen. En toch, ook dit bevredigt niet.. De vrouwelijke aard voelt meer behoefte aan steun, de mannelijke aard ziet gaarne, dat door hem steun geboden kan worden. Of dit oordeel rijp of groen is, doet hun beiden niet ter zake. Beiden gevoelen een leegte, beiden gevoelen behoefte aan vervulling van deze leegte. Onbewust groeit hier de drang naar levensvervulling, groeit het gevoel (bewustheid is het nauwelijks te noemen), dat de normale toestand van de tot zgn volle ontwikkeling gekomen mens in deze bedeling is: de huwelijksgemeenschap: dat hierin de mens compleet is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1947
Daniel | 8 Pagina's