§ 15. DE ARIAANSE STRIJD.
In § 11 B hebben we besproken, dat er verschillende opvattingen over de Drieëenheid in de oude kerk heersten. Lees § 11 A en 11B nog maar eens over, dan zul je de Ariaanse strijd daardoor des te beter gaan begrijpen.
Maar wat is er toch de oorzaak van, dat nü die strfld zulke grote vormen aannam en zo heftig werd gevoerd?
Wel, in vroeger jaren was in de eerste plaats het besef niet zo levendig, dat rechtzinnigheid in de leer van zo grote betekenis was, en dacht men over de Bijbehvaarheden niet zo diep na. Het leven stond op de voorgrond; de leer was van minder betekenis. Zo kon men best verdragen, dat de een er anders over dacht, als de ander, óók al betrof het de grondstukken der leer! In de tweede plaats was de kerk nog niet zozeer een eenheid. Als men in Klein-Azië andere opvattingen huldigde, als in het Westen, dan gevoelde men niet zozeer de drang om daarin eenheid van opvatting te verkrijgen. Trouwens, de Synodes waren niet zo talrijk. Oost en West ontmoetten elkander maar hoogst zelden.
Hierin kwam met Constantijn natuurlijk een algehele verandering. De kerk moest een eenheid vormen; d& n pas was ze een steun van de Staat. Daartoe heeft de keizer ook alles in 't werk gesteld, om, wat organisatie, eredienst en leer betreft, in heel de kerk eenheid te bewerken. Weliswaar kwam daarbij vaak zijn keizerlijk geweld te pas, wat de strijd des te bitterder maakte, maar dit voordeel heeft zijn optreden nochtans gehad, dat de eindbeslissing, die, wonderlijk genoeg, een volkomen zuivere belijdenis van de waarheid der Schrift in hield, in heel de kerk ingang heeft gevonden.
Toen Arius optrad, (in 318), waren er in de kerk omtrent het vraagstuk van de Godheid des Zoons twee hoofdstromingen: -de Origenisten en de Orthodoxen. Beide stonden scherp tegenover elkander!
De Origenisten leerden, in navolging van Origenes, dat de Vader hoger is dan de Zoon en de Zoon weer hoger dan de H. Geest. Christus was dus niet zo waarachtig God, als de Vader.
De Orthodoxen, die voornamelijk in het Westen de grote meerderheid vormden, moesten van allerlei wijsgerige en geleerde bespiegelingen niets hebben, maar hielden onwrikbaar vast aan de klare uitspraken der H. Schrift, die duidelijk 1. de eenheid Gods en 2. de waarachtige Godheid des Zoons leerde. Ze moesten wel erkennen, dat dit een verborgenheid voor het menselijk denken is, dat het niet met ons verstand te verklaren valt, maar zij stelden de waarheid van Gods Woord bóven de overleggingen van ons dwaze menselijke denken. Met kracht en beslistheid hebben ze de leer van Sabellius echter verworpen, alsof er wèl één God was, en géén drie Personen, maar drie verschijningsvormen! (zie § 11 B, einde). Neen, zij stelden uitdrukkelijk de eenheid Gods vast, maar tegelijkertijd ook de Drieheid.
De aanleiding tot deze langdurige twist was het reeds genoemde optreden van Arius, presbyter, dus ouderling, in Alexandrië, het beroemde middelpunt van wetenschap, waar ook Origenes had gewoond. Daar verkondigde hij de volgende opvatting: De Logos (het vleesgeworden Woord, Joh. 1) is volkomen ongelijk en vreemd aan het Wezen Gods, niet gelyk eeuwig, maar een schepsel Gods, , hoewel hij wèl het hoogste schepsel is, door God uit niets geschapen. Hij wordt wel God genoemd en als God vereerd, maar ten onrechte.
Deze gruwelijke dwaling en ketterij was iets verschrikkelijks voor de orthodoxe bisschop van Alexandrië, die Alexander heette. Als Christus niet volkomen, waarachtig God was, dan was de verlossing, door Hem teweeggebracht, ook geen goddelijke verlossing, ën betekende ze dus niet: verzoening met God. Dan kon geen mens ooit in de gunst Gods worden teruggebracht. Alexander had een Christus nodig, die volkomen kon zaligmaken diegenen, die gans verdoemelijk en verloren zijn, waartoe die Zaligmaker waarachtig God moest zijn en waarachtig mens moest geworden zijn. Arius had genoeg aan een verheven voorbeeld, een leraar, die de weg aanwees; dan zou hij die weg wel bewandelen. Godsdienst was voor hem niet: het ontvangen van alles als genadegave, om het daarna in liefde, Gode tot heerlijkheid, in Christus terug te geven, maar 't betekende voor hem: het enig juiste wijsgerige stelsel. Helaas, dat
was het voor velen in zijn dagen, vooral in het Oosten. Vandaar, dat Arius, nadat hij op een Synode te Alexandrië door Alexander in de ban gedaan was, nochtans weldra weer, onder bescherming van andere bisschoppen, naar Alexandrië kon terugkeren.
Nu ontbrandde de strijd weldra opnieuw. En nu mengde Constantijn zich erin. Heel de kerk werd er door beroerd en dat was helemaal niet naar zijn zin. Hij had belang bij rust in de kerk. Zo riep hij een algemeen, oecumenisch concilie samen; wij zouden zeggen: een Generale Synode, in 't jaar 325 te Nicea. Onder druk van de keizer, die namelijk de meeste bisschoppen van het Oosten tegen had(!) werd Arius veroordeeld tot verbanning. Verder werd daar de Geloofsbelijdenis van Nicea aanvaard, waarin de keizer, (naar zijn mening tenminste!) een formule vond, die éllen konden onderschrijven, behalve dan de ergste Arianen misschien! Ik houd er niet van, om met vreemde woorden te schermen, maar hier zie ik geen andere mogelijkheid. Jullie probeert maar het woord goed te onthouden. In die Geloofsbelijdenis werd namelijk Uitgesproken, dat de Zoon geboren is, niet gemaakt, uit het wezen des Vaders, homo-ousioB, (spreek uit: homo-oesios), met den Vader. De echte betekenis van dit woord is: van hetzelfde wezen met de Vader. Maar Constantijn gebruikte het, alsof het betekende: verwant met de Vader. Welk een wonderlijke waarde dit eigenaardige feit voor de kerk, na véél ellende, heeft gehad, zal 't vervolg leren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1947
Daniel | 8 Pagina's