ARBEIDSLUST
Wanneer we wijzen op openbare zonden, grote tekortkomingen, goddeloze gebruiken, en we de vinger leggen op wondeplekken in ons volksleven, dan spreekt het haast vanzelf, dat we alles niet over één kam scheren. Er zijn gelukkig te allen tijde nog gunstige uitzonderingen.
In de eerste wereld was Noach, die met God wandelde; in Sodom kwelde Lot zijn rechtvaardige ziel. In Juda waren er evenwel nog goede dingen.
Als we spreken over dansend, sportend en biocopend Nederland, dan wordt de hoofdzonde aangestipt en dan weten we dat er gelukkig een volksdeel is, dat in dezen vrij uitgaat, ja zelfs er met kracht en klem tegen ageert. Zo was het ook in het stukje „Arbeidsplicht" (No. 24). Aan de arbeidsschuwheid gaat niet ieder mank. Er zijn nog mensen, waarop het toen aangestipte helemaal niet van toepassing is. Was het zó, dat hoofd voor hoofd aan het genoemde euvel schuldig was, dan was de toekomst nog donkerder dan hij ons nu toeschijnt.
Vooral op het platteland, en zeker in de midzomertijd, wordt met noeste vlijt gewerkt. In vele bedrijven zijn handen tekort. In de landbouw, tuinbouw en fruitteelt moet het ijzer gesmeed terwijl het heet is. Geen bedrijven zijn zo van weer en wind afhankelijk als bovengenoemde.
En dan kan 't gebeuren, dat onder de arbeidsplicht de arbeidslust en - vreugde komen. Dan wordt het trotseren van de hitte des daags en de koude des nachts niet zó zwaar gevoeld als zoveel eeuwen terug het geval was bij vader Jakob. Dan gaat de mens uit tot zijn werk en naar zijn arbeid tot de avond toe, waarop de
Psalmist wel móét laten volgen: „Hoe groot zijn Uwe werken, o Heere! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uwe goederen."
Hieronymus vertelt van de boeren te Bethlehera in zijn tijd „dat ze achter hun ploeg Hallelujahs en Lofzangen zongen, en de Psalmen van David bij de iuoogsting van hun veld - — en boomvruchten, om zo te spreken, tot hun minneliederen maakten, onder welke zij hun zuur zweten vergaten."
En de ouderen onder ons weten dat op het platteland, wanneer vroeger een tiental mensen gezamenlijk werkten, meestal liederen weerklonken, zij het dan niet steeds van hetzelfde gehalte als die van de boeren uit Eethlehem, toch waren die mensen niet bezig om te morren en plannen te beramen om het werk neer te leggen. Het werk geschiedde met lust.
Door de mechanisering is veel van de zinvolle arbeid van .vroeger vergaan. In de fabrieken is de werkman ingeschakeld als behoorde hij als verlengstuk bij de machine. Eigen inzicht, tact en overleg zijn niet meer nodig. Alles loopt gesmeerd. Het denken wordt uitgeschakeld. Alle aandacht wordt geconcentreerd op een handle, een handbeweeg, een kleine vingervlugheid, en dat gaat maar door, zonder onderbreking, totdat het zoemen verstomt en de wentelende wirwar van assen en stangen tot stilstaan wordt gebracht.
Het is geen wonder, dat zó de arbeid versuffend en dodend werkt; dat de lust tot de arbeid, waarbij we ons zien als een nietig raadje in het machtige beweeg van het fabriekscomplex, vergaat.
En als onder die arbeiders gestookt wordt en gescholden op het kapitalisme, dat de touwtjes trekt, waaraan zij, de arbeiders, zijn vastgesnoerd, dan gaat een socialistische dichteres zo ver, dat ze zegt:
„Arbeid, gij die mijn onheil waart, Gij, die mij boogt al nederwaart, Gij, die mijn ziel en lichaam schond en zegevierend op mij stond, Verbittering trekt mijn lippen saam: Gevloekt zij uw naam!"
Als dit de taal is die we spreken, of ons als uit het hart is gegrepen, dan zijn we ver van huis. Hoe gans anders spreekt de „Heidelberger" ons aan in het antwoord van vraag 124: „Geef, dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroeping zo gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in de hemel doen."
Als we hieraan mochten beantwoorden of met alle ernst trachtten hieraan te beantwoorden, dan zou onze arbeid zinvol zQn en de arbeidsvreugde zou niet uitblijven.
AI onze arbeid is echter tijdelijk. Dat we daarom de les van de Ileere Jezus ter harte mochten nemen: „Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1947
Daniel | 8 Pagina's