JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Briefwisseling met mijn jonge vrienden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Briefwisseling met mijn jonge vrienden

5 minuten leestijd

(20)

Waarde jonge Vriend,

ln de vorige brief heb ik je geantwoord op de vraag of de beloften alleen voor de uitverkorenen zijn en aangetoond, dat in de H. Schrift tot hen, tot wien gezegd wordt: bekeert u, ook gezegd wordt: u komt de belofte toe. Dat wij dus onze vrijmoedigheid om tot de Heere te komen, niet moeten zoeken in ons bekeerd-zijn en onze verzekering, dat er aanvankelijk in ons een goed werk gewrocht is.

Maar nu merk je op, dat er mensen zijn, die zeggen: „Pas op, steel Christus niet. Eerst moet je omgezet zijn, verootmoedigd; je eeuwige verdoemenis moet je ondertekend hebben, en eerst dan mag je de toevlucht tot Christus nemen. Ben je zó niet het rechte onderwerp, dan steel je de belofte". Wat moet Baruch hiervan nu zefagen?

Het is geen ivonder, dat zulk een verwarde gedachtengang vat heeft op de wettische gemoederen. Dat bovendien dezulken deze gedachtengang nog eens extra ombuigen, en zich behaaglijk voelen onder zulk een voorstelling van zaken. — Wat zijn zij toch eerlijk; zij nemen Christus niet aan, stelen Hem niet, en zijn in hun rechtzinnigheid onovertrefbaar!

Hier komen we aan de reeds zo dikwijls opgeworpen vraag of er een voorbereiding, een voorvereiste, vóór het geloof is.

Er zijn soms van die goedbedoelde uitdrukkingen, zoals ook hier, dat men zegt: „Pas op, steel Christus niét." - Men bedoelt daarmee te zeggen: „Beeld je niet in, dat je Christus '•' tot je deèl hebt"

De Schrift zegt: Zo velen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven, kinderen Gods te worden. Christus wordt ons in dc prediking aangeboden, en door het geloof wordt Hij aangenomen.

Nu nemen dc meeste mensen Hem niet aan; komen dus niet tot Hem en worden niet bekeerd. Hiervan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus, door het Evangelie aangeboden zijnde, noch in God, die door het Evangelie roept, maar doordat de mens in zorgeloosheid het Woord des levens niet aanneemt, (zie 5 art. 111, IV—9).

Maar, (zo zegt het zelfde art, verder) „anderen nemen het wel aan, maar niet in het binnenste huns harten, en daarom is het, dat zij, na een kortstondige blijdschap, van het tijdelijk geloof wederom afwijken."

Dat laatste zou men kunnen noemen: het stelen van Christus.

Maar door deze uitdrukking mag de schijn niet worden gewekt, dat zulk een geloof wel goed was, maar het fundament van het aanbod van Christus bij dezulken ontbroken zou hebben; dat dus uiteindelijk God de schuld zou krijgen, door aan dezulken Christus niet aan te bieden, en dat de mensen dus zonder grond Hem zich toegepast zouden hebben.

Wat is tot zaligheid nodig? - Dit, dat wij een gerechtigheid hebben, die in alle delen gelijkmatig is aan Gods wet. Deze wordt door het geloof alleen omhelsd (H. Cat. Z. 23, 24). Dit geloof is niet alleen een stellige kennis, maar ook een vast vertrouwen. (Zondag 7). Het vertrouwen op God is het leggen van het gewicht onzer ziel op Hem. Het steunen op onszelf en het vertrouwen op God staan lijnrecht tegenover elkaar. Het vertrouwen op God is het wantrouwen aan onszelf, het loslaten van onze eigengerechtigheid. Als een belaste en beladene, komt de ziel tot Christus-. Moeten wij nu zeggen: „Wacht met het komen tot Christus, totdat ge zulk een belaste en beladene zijt, en dat in een bepaalde mate voelt? " '

Moeten wij zeggen: „Verlaat eerst uw eigen gerechtigheid en ah dat „verricht" is, dan moogt ge tot Christus gaan"? Neen, dit is maar één en dezelfde daad der ziel.

Laat ik trachten dat met een voorbeeld te verduidelijken. Alleen moet in het oog gehouden worden, dat alle < beeld gebrekkelijk is, en niet dient tot bewijs, maar tot verduidelijking.

Er zijn twee aan elkaar grenzende vertrekken. In de eerste is men in groot gevaar, in de tweede is men veilig. Dit moet de mens bewegen uit dc onveilige in de veilige kamer te komen. Als hij dat doet4 Jcan mer\ zeggen: hij gaat uit de

onveilige kamer — maar men kan ook zeggen: hij gaat in de veilige kamer. Doet hij nu twee verschillende dingen? Kun je nu zeggen: je moet eerst uit de onveilige kamer uitgaan, vóór je in de veilige in mag gaan? — Je mag gerust zeggen: Ga in de veilige kamer. — Maar er is geen enkele reden om te zeggen: Pas op hoor, je mag niet in de veilige kamer gaan, vóórdat je uit de onveilige uitgegaan bent. Zo is het ook met betrekking tot het toevlucht nemen der ziel tot Christus. Niemand, dan die ziet zijn gevaar, zal bewogen worden tot Hem de toevlucht te nemen. Hij mag dat doen, ondersteund door de belofte: Die tot Hem komt zal Hij geenszins uitwerpen.

Alleen dient gewaarschuwd tegen het bedrog der zielen, dat men de schijn niet voor het wezen aangrijpt en zich zo bedriegt voor een eeuwigheid. Het is één beweging der ziel, uit te gaan uit zichzelf, en in te gaan door de enge poort. Die meent Christus en Zyn gerechtigheid deelachtig te zijn en zijn eigen gerechtigheid niet heeft geworpen voor de mollen en vledermuizen, zijn weg is niet goed. Gaarne zou Baruch er nog wat meer van zeggen, maar het papier is vol.

Hartelijk gegroet. Je vriend

BARUCH.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1947

Daniel | 8 Pagina's

Briefwisseling met mijn jonge vrienden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1947

Daniel | 8 Pagina's