4. De woning.
Reeds zeer vroeg lezen wij van tenten. Jabal toch was „de vader dergenen, die tenten bewoonden en vee hadden" (Gen. 4 : 25).
Hoe men vóór hem woonde is niet vermeld, maar het zal ongetwijfeld een hol of spelonk geweest zijn.
De tent is dan ook de meest geschikte woning voor herders, die van plaats tot plaats moeten trekken om voedsel voor hun vee te vinden.
Men sloeg wat palen in de grond, die door dwarshouten verbonden waren en spande daarover het tentgordijn. Zo'n gordijn bestaat uit aan elkaar genaaide dierenvellen of ook uit een weefsel van zwart geitenhaar. Het spannen geschiedt door middel van touwen, bevestigd aan houten pinnen (tentnagels), die in de grond geslagen zijn.
Men leze nu: oogl. 1:5; Jes. 33 : 20; 54 : 2; Jeremia 10 : 20; Richt. 4 : 21.
De tent is door een voorhangsel in twee afdelingen verdeeld; voor: et mannen-, achter het vrouwenvertrek; soms is er nog een derde afdeling bestemd voor dienstpersoneel cn huisdieren. Alleen de stamhoofden wonen wat luxueuser: an en vrouw (en) hebben ieder hun eigen tent (Gen. 24:67; 31:33).
Meestal was er voor de tent een overstek (luifel) waaronder men een heerlijk zitje had in de schaduw en in de frisse lucht. Men noemde het , , de deur der tent" (Gen. 18 : 1).
Wiclemaker noemt als „huisraad" op: een paar matten, een stenen lamp, lederen zakken, een handmolen, metalen vaatwerk, 't kemeltuig, soms een rond geelkoperen tafelblad. Zo is het nu nog en zo is het blijkbaar eeuwen terug ook geweest.
N.B. Rachel zat dus niet op de kameel, maar in haar tent (Gen. 31 : 34).
In Kanaan gekomen, had het tentleven afgedaan. De Kanaanieten bewoonden „huizen"; alhoewel soms ook, naar de opgravingen leren, holen, die z.n. verruimd werden en van voren met een muur en deuren werden voorzien. .
De afzonderlijke huizen waren óf van gehouwen witte kalksteen (in de bergstreken) óf van leem met stro vermengd en gedroogd in de zon.
Dc eerste soort was natuurlijk solider; vooral bij hevige regens spoelde menig lemen huis weg. Zo is het te begrijpen, dat men liefst op of aan een berg en niet in het dal bouwde.
Bouw en inrichting van de woning waren verschillend naar de welstand van de bewoner.
Het huis van de gewone man was al heel klein: één vertrek op de begane grond. Het diende alleen tot eten en slapen terwijl de arbeid buiten werd verricht, 't Zag
er daarbinnen nu niet bepaald aantrekkelijk uit. De muren waren dik, met een enge, lage deur, weinig vensters (met traliën, dus geen glas), geen schoorsteen. Het was er knap donker en wie wat verloren was moest overdag de lamp aansteken.
(Richt. 5 : 28; 2 Kon. 1 : 2; Spr. 7 : 6; Luk. 15 : 8). De beter gefortuneerden hadden woningen, bestaande uit een voorhuis, een binnenplaats, een achter-of vrouwenvertrek en het platte dak.
De huizen der aanzienlijken hadden nog meer-vertrekken en waren zeer fraai afgewerkt met kostelijke steen-en houtsoorten.
Het voorhuis was ontvangzaal. Vanaf de binnenplaats en ook aan de buitenkant voerde een trap naar het platte dak.
De binnenplaats was een vierkante ruimte, waarop de verschillende vertrekken uitkwamen. Bij de aanzienlijken had men in het rond op pilaren rustende galerijen.
Midden op de binnenplaats had men een put of fontein, ook wel bomen en heesters.
Men vergelijke eens de patriciërshuizen dei" Romeinen (hist. platenatlas er bij!).
De muren werden, als de bodem uit losse aarde bestond op een vast fundament gelegd. Men groef tot men de harde rotsbodem bereikte.
(Matth. 7:24—27; Luk. 6:47—49). Verder lezen wij nog van hoekstenen, die twee muren
verbonden (Ps. 118:22). Vorm:
Het dak was van steen, balken of rijshout. Op Gods bevel moest het van een „leuning" d.i. een borstwering voorzien worden, om ongelukken te voorkomen. (Deut. 22 : 8).
Veelal stond er op het dak een opperzaal, dienend tot: laap-en woonkamer, zieken-en dodenkamer, . spreek-en bidvertrek. (Richt. 3 : 20; 2 Kon. 4 : 10; 1 Kon. 17 : 19; Dan. 6 : 11; Matth. 10 : 27). Het dak zelf was werk-en wandelplaats. Op het Loofhuttenfeest was er de loofhut opgericht. Ook kon men vandaar tot • het volk spreken (Matth. 10 : 27).
De deur draaide met tappen in onder-en bovendorpel en kon met een grendel gesloten worden. Zij was vaak met brons of ijzer beslagen. (Spr. 26 : 11; 1 Kon. 7 : 50; Ps. 107 : 16).
Zo'n grendel was een eigenaardig ding: ij diende tevens als slot. Op 't eind waren er enige gaatjes in. Sloot men de deur, dan vielen er enige pennen in die gaatjes. Om de deur weer te openen, had men e en houten sleutel met staafjes nodig, die de pennetjes opwipten, waardoor de deur te openen was (Richt. 3 : 23 v.v.). Zo'n sleutel was soms zeer groot. Lees daartoe Jes. 22, : 22. Hij is daar het zinnebeeld van macht.
Het meubilair was aanvankelijk zeer eenvoudig. Elisa had in zijn kamer een tafel, een stoel, een lamp en een bed. Later kwam er meer luxe, natuurlijk het eerst in de vrouwenvertrekken.
Matrassen, rustbedden, stoelen, zetels, tafels, bedden, lampen (die de hele nacht brandden) vormden het meubilair. Wandversieringen ontbraken niet.
Natuurlijk was er pok het nodige vaatwerk voor de bereiding en bewaring van spijzen aanwezig.
Voor verwarming 's winters diende een komfoor met gloeiende houtskool (Jes. 36 : 22j Ps. 120:4).
In de H.S. leest men'van vlekken, dorpen en steden. Men stelle zich die steden niet te groot voor. Ze hadden kromme, smalle straten. Er waren blijkbaar ook beroepswijken: ij lezen b.v. in Jer. 37 : 21 van de Bakkersstraat: aar dus de bakkers woonden. De muren der versterkte steden waren hoog en dik met uitspringende wachttorens. In de poort speelde zich het stadsleven af: ij was de marktplaats, de plaats der rechtspraak (Ruth 4:1). Geen wonder, dat daar de profeten des Heeren Woord deden horen (Spr. 8 : 3, .4).
P. J, L.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1947
Daniel | 8 Pagina's