JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

ONZE Catechismus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONZE Catechismus

6 minuten leestijd

(XIII)(Vervolg)

Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons. (Ps. 97). De troon des Heeren is onbewegelijk, daar hij zijn vastigheid heeft in gerechtigheid en gericht. God kan de zonde niet ongestraft laten, noch in de engelen, noch in de mensen, noch in de Borg. Zijn gerechtigheid is een vuur, dat voor Zijn aangezicht heentrekt en het steekt Zijn wederpartijen rondom aan brand. De gerechtigheid des Heeren bliksemt uit Zijn troon, verlicht de wereld en doet het aardrijk beven. Zij doet de bergen smelten voor Zijn aanschijn. De engelen verkondigen Zijn gerechtigheid in het verdelgen van .Zijn vijanden, alsmede donder, hagel, sneeuw en storm, die als Zijn schepselen Hem dienen. De oprechten weten, wat het is, te staan voor de troon van Gods gerechtigheid, om Hem in Zijn gerechtigheid te leren kennen en lief te krijgen.

Zij krijgen Hem lief in de eis van Zijn gerechtigheid. Die gerechtigheid eist, dat God zich zal verheerlgken in Zijn deugden. „Terwille van mijn zaligheid mag niet één van Zijn deugden geschonden worden." Hier hebben zij God lief boven hun zaligheid, hoe teer zij Gods zalige gunst en gemeenschap ook beminnen. „Ik wil niet, dat God om mijnentwil Zich in Zijn gerechtigheid zal verloochenen." Het kan niet, maar Gods kind wil het ook niet.

Zij krijgen Hem lief in de eer van Zijn gerechtigheid. God zou Zichzelf onteren in al Zijn deugden, zo Hij aan de eis van Zijn gerechtigheid niet voldeed tegenover Zichzelf in het handhaven van Zijn deugden tegenover de zonde. De eer van Gods gerechtigheid mag niet geschonden worden, door de zonde ongestraft te laten.

Zij krijgen Hem lief in de gestrengheid van Zijn gerechtigheid. „Daar ik tegen de eeuwige God gezondigd heb, is het Zijn gestrenge gerechtigheid, die wil, dat de zonde eeuwig gestraft zal worden. Van die gestrenge gerechtigheid wil ik niets af hebben en daarom wens ik Gods gerechtigheid eeuwig te verheerlijken in het dragen van die straf."

Nu heb ik in mijn hart niets meer op God tegen en is het de keus van mijn hart, om God eeuwig God te laten. Wat een onuitsprekelijk voorrecht, niets meer op God tegen te hebben. Nu ben ik leem in de handen van de grote Pottenbakker en heb ik Hem lief in Zijn Goddelijke souvereiniteit.

Dat is de plaats, waar de Heere ons wil hebben en waar de onderwijzer ons heen wijst en waar we allen door de krachtdadige werkingen des Heiligen Geestes gebracht kunnen worden.

Met deze gesteldheid des harten hebben we een innerlijke tederheid tegenover God. Al de genegenheden van het gemoed strekken zich uit naar Zijn gemeenschap en Zijn verheerlijking. Met een innige liefde tot het Woord wordt het Woord onderzocht. In de weg des Heeren wensen zij te wandelen. Deze mensen willen in deze werkzaamheden niet opgebouwd worden. Zij begeren wel zalig te worden, maar geheel in overeenstemming met Gods deugden en volmaaktheden.

Deze mensen, die God in Zijn gerechtigheid lief hebben, leven bij Gods goedertierenheden. Hot is door Zijn goedertierenheid, dat zij nog een plaats mogen hebben op de voetbank van Zijn voeten. Allos wat zij mogen genieten boven de eeuwige rampzaligheid, is goedertierenheid en daarom kunnen zij getuigen, dat de aarde vol is van Gods goedertierenheid en dat zij elke morgen nieuw zijn.

Naar mate het hart de eis van God's gerechtigheid kent en lief heeft, gaat het oog open voor Zijn barmhartigheid. De Heere is aan allen goed en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken. (Ps. 145 : 9).

Dc Heere openbaart Zijn barmhartigheid in de werken van Zijn lankmoedigheid, daar ik nog ben in de mogelijkheid om zalig te worden. Hij is lankmoedig in het vermanen. Van dag tot dag roept Hij het mij toe door Zijn Woord, dat Hij staat te wachten om mij genadig te zijn. Hij geeft mij de tijd der bekering, de middelen der bekering en de overtuiging, dat ik bekeerd moet worden. En ik heb het dc Heere toegeroepen: Wijk van mij, want ik heb geen lust in de kennis van Uw wegen. Maar de Heere gaat door met mest te leggen om de boom, opdat hij vrucht zou dragen. Hoe groot toch is Gods lankmoedigheid.

De Heere openbaart Zijn barmhartigheid in de werken van Zijn verdraagzaamheid. Groot is Gods verdraagzaamheid omtrent des mensen ongelovigheid. Ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn; hoelang zal Ik u nog verdragen? (Matth. 17 : 17). Nu zie ik het in, hoe ik door het ongeloof de Heere in het aangezicht heb geslagen. Zijn knechten die mij zochten te bewegen tot het geloof, waren in mijn ogen als jokkende. Door mijn ongelovigheid heb ik de Heere tot een leugenaar gesteld. Het is niet te begrijpen, dat God mij in mijn vijandschap en afkerigheid heeft kunnen verdragen. Naar recht had mijn plaats reeds lang kunnen zijn in de eeuwige rampzaligheid. Het hart gaat God bewonderen in Zijn Verdraagzaamheid. De Heere openbaart Zijn barmhartigheid in de werken van Zijn onderhouding. Hij heeft mij van dag tot dag gekleed, gevoed, geleid en bewaard. Rechtvaardig had Hij de hand van Zijn Goddelijke onderhouding van mij af kunnen trekken. Hij had mij in mijn dwaasheid om kunnen laten komen en mij in mijn ellende kunnen laten smoren. Groot is Gods barmhartigheid, daar Hij mij, hoe ellendig en verdorven ik ook ben, onderhouden heeft tot op de stond van heden.

De Heere openbaart Zijn barmhartigheid in de werken van Zijn goedertierenheid. In dagen van krankheid heeft Hij mijn lijden verzacht en mij de gezondheid weer gegeven. Menigmaal heeft Hij mijn gebed in tijden van benauwdheid verhoord. En met dat alles sta ik voor eigen rekening en kan ik de eeuwigheid niet aandoen.

Het zuivere Godswerk vinden we in het hart, dat God in Zijn gerechtigheid niet kan krenken en Hem prijst in Zijn barmhartigheid. Er is kennis van het Goddelijke wezen en de Goddelijke eigenschappen, Peze kennis is een geestelijke en bevindelijke kennis, die gepaard gaat met een diepe zelfkennis en daarom verfoeien zij zichzelf voor het aangezicht des Heeren. Deze ziel heeft er nog geen bevindelijke kennis van, dat Gods deugden in Christus zijn verheerlijkt en tot overeenstemming gekomen. Dat wil niet zeggen, dat zij het historieel niet weten. Al hebben wij een zuivere historiële kennis van deze zaken, daarom hebben wij er nog geen geestelijke en bevindelijke kennis van in ons hart. Die weet, dat gerechtigheid en gericht de vastigheid zijn van Gods troon, staat daar met een heilige radeloosheid in het hart en weet niet hoe het mogelijk is met behoud van Gods gerechtigheid zalig te worden. Dat geheim kan door geen schepsel ontdekt, die verborgenheid kan door geen mensch geopenbaard worden in het hart, daar moet God aan te pas komen door Zijn Woord en Geest. Hier staan zij voor de troon des gerichts met een wenenÖe, biddende en bukkende ziel, onder de afdrukken van Gods majesteit en heiligheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1947

Daniel | 8 Pagina's

ONZE Catechismus

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1947

Daniel | 8 Pagina's