§ 12. EREDIENST, TUCHT EN ORGANISATIE VAN ± 180-300.
§ 12. EREDIENST, TUCHT EN ORGANISATIE VAN ± 180—300.
c. Organisatie.
De scheiding tussen geestelijken en leken kreeg steeds meer zijn beslag en 'steeds voornamer werd de plaats, die de bisschoppen innamen. Tertullianus, die de dingen zo raak kon zeggen, drukte het aldus uit: „De kerk is de som der bisschoppen", m.a.w.: de bisschoppen ma kern de kerk uit. In de eredienst was hij de middelaar tussen God en de gelovigen, die in brood en wijn het lichaam en bloed van Christus brengt en aan God ten offer opdraagt als Priester, en die de mensen inwijdt in de goddelijke geheimenissen. In de leer was hij de hoeder der rechtzinnigheid, de onfeilbare leraar. In de tucht was hij de rechter, die binden en ontbinden kor. krachtens zijn sleutelmacht.
Zijn helpers waren niet alleen de oudei agen (presbyters) en diakenen, maar verder kwam er nog een hele reeks van lagere geestelijken. Zo waren er onderdiakenen, die in grote gemeenten de diakenen bijstonden. Er mochten altijd maar 7 diakenen zijn, volgens Hand. 6 : 3. Was dat aantal te klein voor het diakonale werk, dan werden er onderdiakenen gekozen. Ook de deurwachtersfunctie was ambtelijk. Als persoonlijke dienaars van de bisschop waren de akolouthen (spreek uit akoloethen), werkzaam. Verder waren er nog de ambten van duivelbanners en voorlezers.
De hogere geestelijken: bisschoppen, ouderlingen en diakenen, hadden aanvankelijk naast hun ambtelijk werk nog een wereldlijk beroep, om in hun onderhoud te voorzien. Dat werd steeds minder noodzakelijk, daar de kerk hun onderhoud steeds gemakkelijker zelf kon bekostigen. Vlak na 200 werd een wereldlijk beroep voor deze hogere geestelijken zelfs verboden.
In deze periode kwam ook het Synodewezen op. Van 160—250 waren er wel reeds synoden geweest, maar dat vond altijd zijn aanleiding in bijzondere gebeurtenissen; zo b.v. in verband met het Montanisme, de Paschastrijd en de opstelling van de Kanon. Sedert 250 werd het gebruikelijk, dat de bisschoppen van een provincie, (die doorgaans zéér uitgestrekt was!) met ouderlingen, diakenen en zelfs leken, geregeld vergaderden. Daar werden practische en leerstellige kwesties behandeld.
Deze Synoden werden vrijwel van het begin af in de provinciale hoofdstad, de z.g.n. metropolis, gehouden, onder voorzitterschap van de bisschop van die hoofdstad, die daarom „metropoliet" genoemd werd, of aartsbisschop. Deze metropoliet of aartsbisschop genoot meer aanzien dan de andere bisschoppen. Voorlopig betekende dat nog niet, dat hij ook meer rechten had. Dat zou pas onder en na Constantijn de Groote zo groeien.
Maar toch gevoelden de aartsbisschoppen zich meer dan hun ambtgenoten. Vooral de bisschoppen van Rome, Antiochië en Alexandrië probeerden hun invloed te doen gelden in de andere delen van het rijk. En onder deze drie nam Rome weer de eerste plaats in.
Rome was de wereldhoofdstad; het had een zéér grote gemeente; het kon bogen op de belangrijke plaats, die Petrus en Paulus er hadden ingenomen; het was vermaard om haar hulpvaardigheid tegenover de noodlijdende kerken. En inderdaad erkenden velen de rijke gaven, die haar geschonken waren; maar dat betekende voorlopig nog niet, dat men haar ook bijzondere rech-
ten toèkende. Dat bleek wel in de Paschastrijd en later in de twist over de ketterdoop. Rome's bisschop Victor wilde omstreeks 190 de Klein-aziaten dwingen om voortaan ook het Westerse Paasgebruik, dat Rome voorstond, (zie § 12a), te volgen. Vele Klein-aziatische bisschoppen legden zich er bij neer, maar sommigen weigerden beslist. Daarom deed Victor de Klein-aziaten in de ban. Maar toen brak een storm van verontwaardiging los, niet alleen in het Oosten, maar ook in het Westen. Toch heeft de breuk tussen Rome en Klein-Azië waarschijnlijk meer dan een eeuw geduurd.
De ketterdoopstrijd ontbrandde tussen Rome en Noord-Afrika in 255. Vroeger werden ketters, wanneer ze zich bij de Katholieke kerk aansloten, altijd opnieuw gedoopt. De doop, die hen in hun vroegere, ketterse kerk was toegediend, gold dus niet! Zo was het in Noord-Afrika, maar ook in het Oosten. Daarentegen kwam in Rome de gewoonte in gebruik, om ketters door handoplegging in de kerkelijke gemeenschap op te nemen. Bisschop Stefanus van Rome wilde deze gewoonte ook aan Noord-Afrika opleggen. Maar Cyprianus, de bisschop van Carthago, was daarvan niet gediend en weigerde beslist. Hij had zijn eigen kerkbegrip. Hij wilde van geen oppergezag van Rome weten, maar achtte alle bisschoppen gelijk in rang. Zo is hij de geestelijke vader van de latere episcopalisten, die alle bisschoppen gelijk achtten en fel gekant waren tegen de papalisten of pauselijken, die de bisschop van Rome de oppermacht toekenden.
Enkele bekende uitspraken en opvattingen van Cyprianus mogen hier nog volgen:
„Wie de kerk niet tot moeder heeft, kan God niet tot „Vader hebben".
„Buiten de kerk is geen zaligheid". „Boete en aalmoezen zijn noodzakelijk en hebben verdienste bij God, waardoor men zich vergeving en „loon verwerven kan."
Cyprianus is maar 10 jaar bisschop geweest, nl. van 248—258, toen hij onder de keizer Valerianus onthoofd werd. Maar groot is zijn betekenis geweest door zijn geschriften.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1947
Daniel | 8 Pagina's