Briefwisseling met mijn jonge vrienden
(16)
Waarde jonge Vriend,
Het deed mij genoegen je briefje te ontvangen.
Toen je zeer jong was, was het je een groot verdriet onder de waarheid te worden opgevoed. Des Zondags niet op straat te mogen spelen; mee te moeten naar de kerk — je vond het vreeselijk. Maar nu, nu je wat ouder bent (al ben je nog jong) en begrip ervan gekregen hebt, ben je er dankbaar voor. Nooit genoeg kun je God er voor danken, chrijf je.
Nu is er nog één ding, waarmee je het niet eens kunt zijn met je vader en dat is, dat hij wenscht dat je met gedekt hoofd ter kerk gaat. In de kerk doe je dan toch zeker je hoofddeksel af?
Ja mijn vriend, als je dat nu óók nog maar begrijpen kon. dan was het alles in orde.
Nu wil ik over die kwestie van een hoed of pet op hebben, niet veel zeggen. Er zijn van die zaken, die behooren tot de middelmatige dingen. Daarin is ons wel eenige vrijheid toegelaten, mits wij anderen niet ergeren. Wat wij doen, moeten wij doen tot stichting. Het zit niet in onze uiterlijke daden. Maar als wij door die daden een verkeerde levenshouding tot uiting brengen, dan moeten wij dat laten. Als b.v. Paulus zegt, dat de natuur medebrengt, dat de vrouw gedekt is, en het dekken van haar hoofd een teeken is, 'fiat zo erkent haar rechte verhouding tot den man. dan is het ongedekt verschijnen van de vrouw onder de bediening des Woords in het midden der gemeente, niet alleen voor de menschen maar zelfs voor dé engelen Gods een bewijs, dat in de Christelijke gemeente de juiste levenshouding ontbreekt, en dat de ordinantiën Gods, in het leven der menschen gesteld, niet worden erkend. Daarom, zegt Paulus, moef, c/c vrouw een macht op haar hoofd hebben om der engelen wil. Er kunnen op zichzelf geoorloofde zaken zijn, zooals het vleesch eten van Paulus. Maar omdat het niet hém, maar de Joden met een zwakke consciëntie in die dagen, tot een aanstoot was. zeidc hij: Indien ik dan mijn broeder erger, zoo zal ik in, der eeuwigheid geen vleesch eten.
Zoo moeten wij het, naar Baruchs meening, over deze dingen, ook verstaan.
Maar nu moet mij iets van het hart: Je bent het met je vader in heel veel dingen oneens geweest. Door het „goede begrip' dat je zoo langzamerhand van de dingen gekregen hebt. ben je het met je vader eens geworden. Zou het niet mogelijk zijn, dat je b.v. over een jaar ook van deze zaak \be\qrip had gekregen en het dan ook daarin met je vader eens was? Zou je nu dit ééne maar eens niet in blinde gehoorzaamheid aan je vader doen? Dan heb je meteen gelegenheid o-m je vader te bewijzen, dat jc hem niet alleen gehoorzaamt omdat ie het met hem eens bent, maar óók en voornamelijk omdat je wenscht te buigen onder het 5e gebod. Laat deze schoone gelegenheid niet voorbij gaan. Daarin ligt meer waar betoon van eerbied en gehoorzaamheid en ook liefde, clan in al die andere zaken, waarin je eigenlijk op je eigen compas vaart, dat, (gelukkig hoor) hetzelfde wijst als dat van je èader.
Adam kreeg in den staat der rechtheid een proefgebod van niet te eten van den kennisboom. Was die boom dan kwaad? Weineen, dat heeft men weleens zoo voorgesteld. Neen, het was ter beproeving van Adams gehoorzaamheid aan den vrijmachtigen Heere.
Laat zo o jc praktijk wezen. Daar zul je vrede bij hebben. Echte gehoorzaamheid is niet zivaar. Wat zouden wij gelukkig zijn, als we meer Gods wet betrachtten, als een wet der liefde, dan ah een slaafs juk. Wc zouden zeker ook mindch over vormen twisten.
Nu moet ik afbreken en hoop op je verder vragen een volgende maal in te gaan. Intusschcn verblijf ik,
Met hartelijke groeten, Je vriend
BARUCH.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1947
Daniel | 8 Pagina's