Onze Catechismus
In de praktijk wordt des menschen totale verdorvenheid door velen geloochend en dat openbaart zich in het pleisteren met looze kalk. Het hart des menschen dat een graf vol dorre doodsbeenderen is, wordt wel wit gepleisterd, maar daar blijft men mee in den staat des doods. Met wat godsdienstige gemoedstoestanden heeft men nog geen staatsverwisseling. Gelijk wij door de zonde van staat zijn veranderd, moeten wij door de verheerlijking van Gods genade van staat veranderd worden. Hierom spreekt de onderwijzer in deze Zondags-afdeeling van drie staten. Van den staat der rechtheid vóór den val, van den staat der ellende door den val en van den staat der genade, als God den mensch uit zijn diepen val belieft op te halen door wedergeboorte.
Om de diepte van onzen val met klaarheid uit te beelden, spreekt de Catechismus van de wedergeboorte. Van twee kanten wordt de mensch, die gansch verdorven is door de zonde, hier belicht. Bij het licht der volmaaktheid, ons geschonken in den staat der rechtheid, laat Hij het ons zien, wat wij geworden zijn door onzen diepen val in Adam en bij het licht van Gods genade toont Hij het ons aan, dat wij onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, zonder de wederbarende werkingen des Heiligen Geestes. Alleen door wedergeboorte is het mogelijk het goede te doen, dat gedaan moet worden om door de opstanding des levens bij de verschijning van Christus op de wolken des hemels geleid te worden in de eeuwige heerlijkheid. (Joh. 5: 29).
De wedergeboorte is noodzakelijk, daar wij door de kracht en de ontwikkeling der algemeene genade niet in staat zijn iets te doen, dat geestelijk goed is voor God. Het is door de inbindende kracht van Gods algemeene genade, dat de mensch terstond na den val de volle ontaardheid van zijn bestaan niet kan uitleven, wat de engelen, die gevallen zijn, wel doen in de hel. Komt God den mensch die algemeene genade te onttrekken, wat rechtvaardig is, dan springt hij in de hel om zijn volle vijandschap tegen God eeuwig uit te leven, gelijk Judas deed.
Bij die algemeene genade heeft de mensch nog een ingeschapen Godskennis, met een consciëntie als stedehouderes van den Heere, die hem niet ontnomen kunnen worden door de zonde en wat de duivelen ook nog hebben in de hel. Die kleine overblijfselen zijn genoegzaam om den mensch alle onschuld te benemen en daar gaat hij mede naar de eeuwige rampzaligheid, indien hij onwedergeboren sterft.
Het is door de kracht der algemeene genade, dat de mensch nog godsdienstig en consciëntieus kan leven, wat in de samenleving van geen geringe beteekenis is. Wij moeten die algemeene genade waardeeren en haar ontwikkeling niet onderschatten. De Heere Jezus heeft haar in Ninevé geprezen en bemind in den rijken jongeling. Door de kracht en ontwikkeling der algemeene genade zijn er natuurlijk menschen, die voorbeeldig en consciëntieus leven. Met spijt moet ik het zeggen, dat zij soms kinderen Gods beschamen. Zelfs Abraham, de vader der geloovigen, moest eens bestraft worden door een heidensch vorst. Door de kracht der algemeene genade kan men wel niet ver van het Koninkrijk der Hemelen zijn, maar niet gaan in het Koninkrijk der Hemelen om de zonde te haten en den Heere lief te hebben.
Wat geestelijk goed en Gode welbehagelijk is, moet uit het zaligmakend geloof, dus uit de wedergeboorte op komen. Wat uit 't geloof niet is, is zonde. Die niet meer heeft dan de algemeene genade, leeft in den grond der zaak nog in de zonde. Hij heeft niet God, maar zichzelf ten doel. Met reden heeft dan ook Christus betuigd, dat wij zonder wedergeboorte het Koninkrijk der Hemelen niet kunnen zien en niet kunnen ingaan. Zien en ingaan hebben hier dezelfde beteekenis. Het is bekend, dat de St. Janskerk in Gouda geroemd wordt om de schilderkunst en kleurenpracht, welke er in te aanschouwen is. Bezien wij die kerk alleen van den buitenkant, dan zien wij die schoonheid niet, maar komt u in die kerk, dan brengen deze kunststukken uit de grijze oudheid u als vanzelf in bewondering. En zoo is het nu ook met het Koninkrijk der Hemelen. Om de schoonheid en liefelijkheid te aanschouwen van des Heeren dienst, moeten wij door wederbarende genade ingaan in het Koninkrijk der Hemelen. De wedergeboorte is alleen mogelijk door toerekening. Naar den regel van het Verbond der Werken zou het gansche menschelijke geslacht door de gehoorzaamheid van Adam de toerekening van zijn gerechtigheid ontvangen hebben ten eeuwige leven. Het is door de toerekening van Adams ongerechtigheid dat het gansche menschelijke geslacht verdoemelijk ligt voor God. Daar Christus als Borg is getreden in de plaats van Zijn volk, is de ongerechtigheid Hem toegerekend en wordt de gerechtigheid, die Hij verworven heeft, Zijn volk toegerekend. Het is door de toerekening van Zijn gerechtigheid, dat wederbarende genade verheerlijkt wordt in het hart van de grootste der zondaren. Het is niet mogelijk, dat God Zijn liefde kan verheerlijken in het hart van den zondaar buiten die borgtochtelijke gerechtigheid. Gelijk de mensch door de toerekening van Adams ongerechtigheid zijn inwonende en inklevende verdorvenheid heeft in zijn bestaan, bekomt men door de toerekening van Christus' gerechtigheid Zijn inwonende en inklevende heiligheid in het hart. Door wedergeboorte krijgt de zondaar het beeld van Jezus Christus in zich om dat door de kracht van Zijn genade uit te leven. Gelijk elk mensch door geboorte leeft uit Adam, leeft elk kind des Heeren door wedergeboorte uit Christus. De droefheid naar God en de innige smart over de zonde komt niet op uit Adam, maar uit een innerlijke vereeniging met Christus. Door wederbarende genade wordt men afgesneden van den wilden olijfboom en ingeplant in den goeden olijfboom om deszelfs vettigheid deelachtig te worden. Dat leven uit Christus door de werkingen des Heiligen Geestes was de tollenaar deelachtig, toen hij als het ongelukkigste mensch van de wereld achter in den tempel stond en bad: „O God, wees mij zondaar genadig". Maar het bewustzijn van die toerekening heeft hij ontvangen door de oefening des geloofs en dat deed hem gerechtvaardigd naar huis gaan.
(Volgende maal 2e deel van 9).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1947
Daniel | 8 Pagina's