Vaderlandsche Geschiedenis
BONIFATIUS.
Het is merkwaardig, dat deze prediker, hoewel zijn hoofdwerkzaamheid in Duitsland lag, direct na Willibrord wordt genoemd en grote belangstelling geniet.
De oorzaak hiervan is in hoofdzaak daarin gelegen, dat hij dadelijk na de dood van zijn vriend de zorg voor de Friese kerk op zich nam en haar als nationale kerk zocht te handhaven tegen de aanmatigingen en vernietigingen van anderen.
Geboren in 673 in een adellijke Saksische familie kwam hij reeds vroeg in een klooster te Exeter, daarna in de abdij Nhuts-celle (Southamptonshire). Hier deed hij de nodige kundigheden op en werd op 30-jarige leeftijd tot priester gewijd.
Toen kwam ook bij hem de aandrang de landen der heidenen te bezoeken. In 716 komt hij te Wijk bij Duurstede. Maar groot is de teleurstelling. Radbod heerste weer oppermachtig (Pepijn II was gestorven), Willibrord gevlucht, vele kerken verwoest.
Toch wist hij te Utrecht een mondgesprek te houden met den koning en moeilijkheden werden hem niet in de weg gelegd. Radbod had het zeker te druk!
In de herfst gaat hij na enige reizen en bezoeken weer terug naar Nhuts-celle, maar niet om er te blijven.
Nu ging het naar Rome, voorzien van een aanbevelingsbrief van den b.v. Winchester.
Op 15 Mei 719 werd hij door p. Gregorius II in audiëntie ontvangen, die zijn naam Winfried veranderde in Bonifatius, omdat 14 Mei de z.g. heiligendag van den martelaar Bonifatius was, die leefde tijdens de regering van keizer Diocletianus.
Bonifatius heeft die naam als een onderworpen zoon van den paus voortaan altijd gedragen. Ook Willibrord had zo'n nieuwe naam (Clemens), maar bleef bij het oude! Het zendingsterrein hem aangewezen was Beieren en Thüringen. Lang is hij er niet geweest. Het was gedeeltelijk gekerstend; maar alles was er ruw en verward. En omdat hij slechts priester was en geen bisschop, kon hij weinig uitrichten.
Dus trok hij naar den hofmeier Karel Martel. Juist in die tijd hoort hij van Radbods dood.
Direct spoedde hij zich naar Utrecht en vond er reeds zijn ouden vriend terug. Ook deze was verblijd en stelde hem voor zich tot bisschop te laten wijden en zijn medebisschop te worden. Maar Bonifatius weigerde, omdat ...... de paus hem naar de barbaarse volken in Duitsland gezonden had!
Daarom ging hij naar Hessen, predikte en werkte er met veel succes, om ten slotte weer eens in Rome te komen.
Daar werd hij op 30 Nov. 723 tot regionar bisschop (= zendings- of rondreizend bisschop zonder bisdom) gewijd.
Bonifatius heeft hard gewerkt; veel en moeilijk werk gedaan. De gloriedag voor hem was toen hij de heilige Thorseik van Geismar velde.
In 723 werd hij niet alleen bevestigd in zijn volmachten, maar werd weldra ook aartsbisschop van Mainz. Beieren, Hessen en Thüringen kregen nu hun bisdommen, kloosters en scholen. Ook hield hij jaarlijks synoden.
Zeer interessant zijn zijn brieven.
Deze leren ons hem kennen als een echte vazal van den paus. En toch durfde hij dezen ook de les lezen over de heidense onzedelijkheden, die hij onder zijn ogen geschieden laat.
Hij beschuldigde eens den paus van verkrachting der kerkwetten en van simonie!
Hij was uitermate dankbaar voor de kleinste diensten of gaven van landgenoten.
Dan was hij zo getroffen, dat hij niet kon nalaten een eenvoudig tegengeschenk te zenden. Dit karakteriseert wel den man, met zulk een hoge kerkelijke macht bekleed.
Reeds vermeldden we, hoe hij na de dood van zijn vriend, hoewel afwezend, een wakend oog over de kerk van Utrecht hield.
De jaren klommen, zijn krachten namen af. Hij voelde zich zeer beladen.
Ook politiek was er veel veranderd. Karel Martel, de overwinnaar der Moren (732) was in 741 gestorven en opgevolgd door Pepijn III (de Jongste). Eerst hofmeier, maakte hij zich in 751 koning.
Maar de verhouding tot Bonifatius was ook veel veranderd. Wel keurde Pepijn het goed, dat hij naar de Friezen ging. Echter toen Bonifatius in Jan. 754 te Utrecht was, was de paus juist op bezoek bij den koning en deze verwaardigde zich zelfs niet den 80-jarigen werker en toegewijden dienaar bij zich te roepen!
Bonifatius schijnt een voorgevoel van zijn dood gehad te hebben.
Hij trok nu verder het Friese land in, de Zuiderzee over en sloeg zijn tentenkamp op bij Dokkum, thans Murmerwoude (= Moordwoud).
Op 5 Juni 754 (Pinksteren) zouden de bekeerlingen komen om het vormsel te ontvangen.
Maar bij dagbreek naderde een bende woestelingen en viel de castra aan.
De krijgslieden grepen het zwaard. Ook Bonifatius kwam naar buiten: met sneeuwwitte haren en gebogen gestalte. Hij hing de reliekenkas van de schouder en zag direct dat verdediging hopeloos was.
Daarom verbood hij zijn krijgslieden te strijden en vermaande de omringende geestelijken, monniken en dienaren om „niet te vrezen voor die alleen het lichaam kunnen doden."
Bonifatius zelf werd door een zwaardslag getroffen. Hij had nog getracht zijn hoofd te beschermen met een evangelieboek.
Weldra bedekten 53 lijken de grond.
Vervolgens gingen de onverlaten plunderen, vernielden de reliekenkassen, braken de boekenkisten open, plunderden de schepen waarmee Bonifatius gekomen was en deden zich rijkelijk te goed aan de aanwezige wijn.
Een grote ontroering greep de Christenen aan. Alles snelde te wapen, om de dood te wreken; maar de vogels waren gevlogen.
Het lijk van Bonifatius werd eerst naar Utrecht vervoerd en later, volgens zijn wens, naar Fulda gebracht.
Hier bevindt zich ook het zoeven vermelde evangelieboek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1947
Daniel | 8 Pagina's