JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

6 minuten leestijd

H. te IJ. vraagt, wat bedoeld wordt in de eerste vraag van het doopsformulier met „of gij niet bekent, dat zij in Christus geheiligd zijn enz."

Antwoord: Dat geheiligd zijn in Christus, beteekent de persoonlijke heiliging in geestelijken zin heeft zeker betrekking op de uitverkoren kinderen, maar het wil er bij mij niet in, dat die beteekenis gehecht moet worden aan alle gedoopte kinderen, want hoe zou het dan mogelijk zijn, dat de doopouders daarop „ja" zouden kunnen antwoorden.

Als alle gedoopte kinderen de persoonlijke heiliging deelachtig waren, dan zouden ook allen tot de zaligheid geleid worden en dat leert Gods Woord ons toch wel anders. Ons doopsformulier spreekt ervan, dat Israël door de Roode Zee is gegaan, door hetwelk de doop beduid wordt en dat het meerderdeel in de woestijn is gestorven door ongeloof.

„Geheiligd" zijn wil ook zeggen: „afgezonderd zijn." Elke doopeling moet, doordat hij het teeken des verbonds aan zijn voorhoofd heeft, afgezonderd leven van de wereld. Zoo worden de vaten van het Huis des Heeren ook heilig genoemd, d.w.z. zij waren afgezonderd tot een heilig gebruik.

Daarom is het zoo erg, dat de Kerk des Heeren zoo veel de hand geeft aan de wereld, m.a.w. dat de wereldgelijkvormigheid zoo toeneemt.

Neen de gemeente des Heeren heeft wel te leven in de wereld, heeft daar zelfs een groote roeping, maar mag niet leven met de wereld. Zij is een afgezonderd volk en het behaagt den Heere als regel, op het terrein der Kerk Zijn uitverkorenen te leiden tot de zaligheid door wedergeboorte en waarachtige bekeering.

J.V. „Obadja" te H.I.A. vraagt of God den val besloten heeft.

Antwoord: De val ligt niet buiten het besluit Gods. Al is het ook, dat God den val heeft toegelaten, de Heere heef den val nooit gewerkt, want de dichter zegt: „In Hem, mijn vaste rots, is 't onrecht nooit gevonden." Dat de val niet buiten het besluit Gods ligt, blijkt ook duidelijk wanneer we denken aan het infra-en supralapsarisme.

Hoewel het mijn bedoeling niet is, daar diep op in te gaan, wil ik toch wel de twee denkwijzen naar voren brengen, om u te doen zien, dat èn de infra- èn de supraIapsariër den val zien in het besluit Gods.

De infra kent in de besluiten Gods, die van eeuwigheid zijn, de volgende momenten:

1e. God besluit Zich te verheerlijken in de openbaring Zijner deugden.

2e. Daartoe besluit Hij den mensch te scheppen, doch zóó, dat die mensch kon vallen en besluit den val actief toe te laten.

3e. Uit dien aldus in ellende liggenden mensch besluit God te verkiezen tot zaligheid en te verwerpen tot rampzaligheid.

De supra kent de volgende momenten of anders gezegd, de volgende orde:

1e. Het eindelijk doel van Gods werken is de verheerlijking van Zijn Naam en deugden in de openbaring van Zijn barmhartigheid en gerechtigheid.

2e. Die barmhartigheid en gerechtigheid openbaart Hij in het eeuwig heil of verderf, waartoe Hij verkiest of verwerpt.

3e. Opdat dit doel kan bereikt worden besluit God den mensch te scheppen, den val toe te laten, als middelen.

Hoewel deze zaak zwaar is om te verstaan, moet ik er u op attent maken, dat het hier gaat over de besluiten Gods, die van eeuwigheid zijn.

Misschien zult u nog wel eens hooren, dat de supralapsariër leert, dat God den val besloten heeft en de infralapsariër zegt, dat God den val niet heeft gewild, maar wel geweten. Maar dat is bezijden de waarheid. Zulke uitdrukkingen bewijzen, dat men het supra- en infrastandpunt niet begrijpt. Men houde zich aan het bovenstaande. Hiermede is tegelijk de vraag beantwoord van J. L. te VI.

Jongelingsvefeen. te A. vraagt of het rechtvaardig was, dat Johan van Oldenbarneveld onthoofd werd. Zoo ja, op welken grond?

Antwoord: Johan van Oldenbarneveld 1547—1619 was een groot Nederlandsch Staatsman, advocaat van den Lande, bekend door de oprichting van de Oost-Indische Compagnie. In Godsdienstig opzicht was hij vrijzinnig (remonstrant); in de binnenlandsche politiek provincialist, tegenstander van Prins Maurits.

Als Prins Maurits openlijk de zijde der contra-remonstranten kiest, antwoorden de Staten van Holland met de z.g. scherpe resolutie van 4 Aug. 1617.

Holland wil een Provinciale Synode, terwijl anderzijds een Generale Synode wordt verlangd.

De stedelijke besturen mogen waardgelders aanstellen; recht van appèl van de besluiten dier besturen alleen op de Staten van dat gewest.

Van deze resolutie heeft de geschiedschrijver Fruin verklaard, dat een burgeroorlog erin lag opgesloten. Deze meening vindt ge ook bij Groen van Prinsterer, Ryssens en Lankamp.

Prins Maurits heeft zich door de resolutie genoodzaakt gezien door te tasten.

Na twee maanden verhinderde de Prins het aanstellen van waardgelders in den Briel, drie maanden later verzette hij de wet, d.w.z. veranderde hij de vroedschap in Nijmegen. Een half jaar later werden de waardgelders in Utrecht afgedankt.

Eindelijk werden Oldenbarnevelt en anderen gevangen genomen, Oldenbarnevelt voor een buitengewone rechtbank geroepen, werd ter dood veroordeeld, wegens handelingen, onbestaanbaar met de fundamenteele wetten, de rust en de veiligheid van den Staat.

Enkele andere beschuldigingen genoemd in de rechterlijke uitspraak zijn: „Hij heeft den stand van de religie in verwarring gebracht, wantrouwen tusschen de gewesten verwekt, de rechten der gerechtshoven miskend, een verbond tusschen 8 groote steden ontworpen ter beraming van middelen tot feitelijken wederstand, getracht om het gewone krijgsvolk uit de gehoorzaamheid van den Staten-Generaal en van Prins Maurits te trekken, de Unie verbroken, de landen tot haar eigen verdediging onbekwaam gemaakt enz."

Lankamp zegt: „Oldenbarnevelt is niet onrechtvaardig veroordeeld. Niet „gerechtelijk vermoord", zooals men wel gezegd heeft. Wel was het toenmalig recht streng."

Alles bij alles, oordeel ook ik, dat het doodvonnis wel streng, maar billijk was.

Oldenbarnevelt heeft het land aan den rand van den afgrond gebracht.

't Is wel opmerkelijk, dat er van de 24 rechters, 12 uit Holland waren, het gewest waar Oldenbarnevelt het meest invloed had.

Algemeen geachte personen, als Kromhout (voorzitter) en Junius, raad in 't Hof v. Holland, van der Sande voor Friesland enz. behoorden tot de 24 rechters.

Met algemeene stemmen werd het doodvonnis uitgesproken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1947

Daniel | 10 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1947

Daniel | 10 Pagina's