De regeling van ons Kerkelijk leven
In ons vorig artikel merkten we reeds op, dat predikant geen „vak" is, maar een van Godswege opgelegd ambt. Ze zijn door Christus uitgezonden met de last het „de rechtvaardigen aan te zeggen, dat het hun wel en de goddeloozen, dat het hun kwalijk zal gaan." Hun voornaamste werk is het Woord Gods te verkondigen. Zij zijn gezanten Gods, ja, door hen spreekt God tot ons. Zij hebben niet hun eigen meening, bekeering of bevinding te verkondigen, maar het Woord Gods recht te snijden, opdat een elk zijn bescheiden deel krijge. Die taak is hun van Gods wege op de schouders gelegd. Daarom, vrienden, doet niet mee met die menschen, die altijd critiek hebben, maar hebt achting voor Gods knechten. Ik weet wel, de een heeft meerdere gaven dan de andere, doch of zij nu één, twee of vijf talenten bezitten, allen zijn het menschen, die God heeft uitgezonden in Zijn dienst. Nog eens, hebt daarom achting en eerbied voor hen, want „die Mijn volk aanraakt, raakt Mijn oogappel aan."
Behalve het Woord Gods te verkondigen moeten zij ook de Sacramenten van H. Doop en H. Avondmaal bedienen. Vervolgens moeten zij op de ouderlingen en diakenen, ja, op de geheele gemeente „goede acht nemen en te bezorgen, dat alles eerlijk en met orde geschiede."
Daarbij behoort ook tot hun werk de bevestiging (geen inzegening, hoor; dat is Roomsch) van huwelijken en ambtsdragers, het geven van catechisatie-onderwijs en het bezoeken van zieken.
Zooals u ziet een veelomvattende en zware taak, daarom ook hebben de predikanten recht op het gebed van hen, die bidden geleerd hebben. Zij zullen de eersten zijn, die zeggen, dat ze dagelijks in die plicht tekort schieten. Doch laten wij het nog groot achten, dat God Zijn knechten nog tot ons zendt, dat wij nog predikanten hebben, die het Woord Gods zuiver verkondigen.
Op de gemeente rust de verplichting haar dienaars behoorlijk te verzorgen; „degenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven" (1 Cor. 9: 14).
Christus heeft Zijn dienaren geheel en voor altijd in den dienst Zijner kerken geroepen en daarom hebben de kerken te zorgen voor het onderhoud der dienaren.
Een predikant ontvangt geen loon, ook geen salaris, want dat ontvangt men als men arbeid gepresteerd heeft. Een dominee echter verricht arbeid in den dienst van Christus en deze arbeid kan niet betaald worden. De D.K.O. zegt dan ook, dat „de kerk haar dienaars van behoorlijk onderhoud moet verzorgen." Hoe groot moet dat bedrag zijn? Dat is moeilijk te zeggen; maar in elk geval zóó, dat de dienaar met zijn gezin, daarvan behoorlijk en zonder zorg kan leven.
Door ouderdom of voortdurende ongesteldheid van het lichaam kan het zijn, dat een predikant niet meer in staat is zijn dienstwerk behoorlijk te verrichten. In dit geval kan hij emeritaat aanvragen; hij blijft predikant, maar wordt dan vrijgesteld van dienstwerk. Indien hij daartoe nog in staat is, kan hij des Zondags een vacante gemeente dienen, maar van ander dienstwerk (catechisaties, ziekenbezoek enz.) is hij vrijgesteld.
Op de kerken rust de plicht haar emeriti-predikanten, als ook predikantweduwen en -weezen, behoorlijk te verzorgen. Door de Generale Synode der Geref. Gem. is dan ook een commissie benoemd om emeriti-predikanten, predikantsweduwen en -weezen te verzorgen. De hiervoor benoodigde gelden worden verkregen uit collecten, die telken jare in de gemeenten gehouden worden. Ieder belijdend lid is van Godswege verplicht hierin naar vermogen bij te dragen. Het is, zooals Ds. Lamain in „De Saambinder" schreef een „eereschuld".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1947
Daniel | 10 Pagina's