Kerkgeschiedenis
§ 5. De eerste gemeente.
Aanvankelijk openbaarde de kerk zich in den vorm van een Joodsche secte en de discipelen hebben het ook zóó aangevoeld. Ze waren en bleven Joden en hadden vooreerst geen oog voor de geheel eenige plaats van het Christendom. Zoo hielden zij voorloopig nog vast aan den Joodschen eeredienst en andere gebruiken. Ze bezochten den Tempel en onderhielden de ceremonieele wet. Zoo bleef dus de kerk nog met vele vezels aan haar oude wortel verbonden. Men zag nog niet de volkomen zelfstandige en alomvattende plaats van het Evangelie. Niet naast, maar binnen het Jodendom heeft de kerk zich aanvankelijk ontwikkeld. Maar de Heere had totaal andere en veel grootere plannen met Zijn kerk. Bij Zijn hemelvaart had Hij reeds de opdracht gegeven, om te prediken niet alleen in Jeruzalem en geheel Judea, maar ook in Samaria, ja tot aan het uiterste der wereld. De kerk moest los worden van het Jodendom en zelfstandig gaan groeien naast haar oude stam, ja, er bovenuit. De nationale inperking moest worden overwonnen: over alle grenzen heen reikte haar plaats, omdat Christus niet maar Koning der Joden was, maar de einden der aarde tot Zijn bezitting verkregen had. De kerk was Wereldkerk. Ze had recht op die plaats vanwege de majesteit en macht van haar Koning. Hoe meer nu de kerk inzicht kreeg in de wereldheerschappij van haar Heere, hoe meer zij de nationale Joodsche begrensdheid voorbij streefde, en zich ontwikkelde in de richting van wereldbeheersching. Dat beteekende een strijden met en een zich wijden aan het heidendom van nabij en van verre. Het boek der Handelingen teekent ons die ontwikkelingsgang der kerk van Jeruzalem en Judea, over Samaria naar het heidendom. Wij zien daar, hoe de kerk zich beweegt van het middelpunt en bolwerk van het Jodendom, n.1. Jeruzalem en haar Tempel, naar het centrum van het heidendom: Rome! Dit alles heeft in den Apostolischen tijd nog zijn beslag gekregen. De haat en vervolgingen der Joden hebben dat proces nog versneld. Werd Jeruzalem onveilig door het woeden van het Sanhedrin na Stefanus' rede, dan verspreidde zich de kerk over het Judeesche land. En als Saulus dreiging en moord blies, om alle discipelen uit Judea uit te roeien, dan trok men de grenzen over naar Samaria en het heidensche land.
Maar niet alleen uiterlijk raakte de kerk van Jeruzalem los, ook innerlijk bewoog zij zich meer en meer van het Jodendom af. Die ontwikkeling wordt ons tevens met allerlei fijne trekjes in de Handelingen geteekend. Het begint met de bekeering van Joden, die het grootste deel van hun leven in de heidensche cultuurwereld hadden doorgebracht en daardoor wat vrijer en nuchterder tegenover Tempel en Wet stonden, dan hun Palestijnsche broeders. De Joden, die op den Pinksterdag tot bekeering kwamen, waren waarschijnlijk naar Jeruzalem gekomen uit al die landen, die daar vermeld worden, om hun laatste levensjaren in de oude stad der vaderen door te brengen. Dus allemaal al eenigszins bejaarde menschen. Dan wordt het ook begrijpelijk, dat er nogal vrij wat weduwen onder zijn, die bij de dagelijksche bediening, (gemeenschappelijke maaltijd voor rijk en arm, van de door de rijken meegebrachte gaven) verzuimd werden. Dan zien wij, dat er uit die buitenlandsche Joden 7 diakenen worden gekozen. Eén ervan is zelfs een geboren heiden, n.1. Nicolaüs, een Jodengenoot! Daarmee is zelfs het ambt al niet meer tot geboren Joden beperkt, hoewel Nicolaüs als Jodengenoot, natuurlijk wel dichter bij het Jodendom stond, dan een volslagen heiden. Van één der 7 diakenen weten we wat meer, n.1. van Stefanus. Nadat hij in de synagoge voor een schare van Grieksche Joden gepredikt heeft, wordt hij door hen voor den Raad gebracht. En in de rede, die hij daar uitspreekt, zien wij duidelijk, hoe de H. Geest Zich van dezen Griekschen Jood bediend heeft, om de wereldbeteekenis van het Evangelie in het licht te stellen. Al die jaren, die hij, ver van Jeruzalem en haar Tempel, in een heidensche omgeving, heeft doorgebracht, hebben hem een ruimen blik gegeven, waardoor hij nu ziet, dat Tempel en ceremonie niet zoo'n centrale plaats innemen in den dienst der Heeren, als de Joden in Palestina denken. Zijn rede is een aaneenschakeling van bewijzen, dat de dienst Gods nooit onvoorwaardelijk verbonden was aan Tempeldienst. Dat is meer, dan de Raad kan verdragen, en men brengt hem ter dood. De vervolging, die na de steeniging van dezen eersten martelaar woedt, verdrijft vele christenen uit Jeruzalem, die zich over Judea en Samaria verspreiden en daar gaan prediken. Dat was een nieuwe stap van het Jodendom vandaan.
Wanneer Petrus, na het visioen op het dak van Simon den lederbereider, Cornelius ontmoet en op dezen onbesnedene den H. Geest ziet nederdalen; — en als Paulus en Barnabas straks de Zending onder de heidenen ter hand nemen en daar met veel vrucht arbeiden; — wanneer tenslotte op de eerste Synode te Jeruzalem, naar aanleiding van een verschil van Paulus met Jodenchristenen, die besnijdenis tot voorwaarde voor het heil in Christus stellen, besloten wordt, de heidenen met geen van al die Joodsche lasten te bezwaren; — dan staat de weg van de kerk naar het heidendom volkomen open en sluit men de poort naar het Jodendom voor haar meer en meer af. De verwoesting van Jeruzalem in 't jaar 70, waarbij ook de Tempel, dat bolwerk der Joden, tot een puinhoop wordt, versnelt de ontwikkeling nog, die de kerk tot zelfstandigheid voert. Mèt het Joodsche land, verlaat de kerk ook de Joodsche godsdienstige gebruiken. Voortaan ligt haar plaats in de heidenwereld. De Jodenchristenen, die deze ontwikkeling niet kunnen en willen aanvaarden, worden meer en meer tot een kettersche secte.
Natuurlijk heeft de kerk ook in de heidenwereld den strijd te voeren tegen allerlei wanbegrip, dat omhoog borrelt uit oeroude heidensche levensbeschouwing en godsdienst. Maar het gevaar van een beroep op het O. Testament was bij hen natuurlijk niet aanwezig, wat juist den strijd tegen het Jodendom zoo moeilijk had gemaakt. Toch heeft de Joodsche zienswijze nog nagewerkt in de kerk. Maar dat zullen we later zien. De enge begrenzing en inperking van het Jodendom was volkomen overwonnen. De kerk sloeg de vleugels wijd uit. Ze werd zelfstandig, kreeg een eigen organisatie, eeredienst, leer en leven.
Nog iets tenslotte van de gaven des Geestes, waarvan we meer dan eens, b.v. 1 Cor. 12 en 14, lezen. Dat was een buitengewone gave in een buitengewonen tijd. Zoolang de kerk niet in alle gemeenten een algemeen erkend boek des N. Testaments had, waarin de leer des Evangelies was vervat, (en papier, d.w.z. perkament of papyrus was duur en schaarsch!!) zoolang waren die Geestesgaven noodig. Ze hebben de jonge kerk, die nog geen geloofsleer had, zooals wij b.v. in Hellenbroeks vragenboekje of Brakels Red. Godsdienst bezitten, voor allerlei dwalingen behoed. Naarmate de kerk dit alles kreeg, zijn die gaven langzamerhand verdwenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 oktober 1946
Daniel | 8 Pagina's