Aan onze Militairen
Door omstandigheden, buiten mijn schuld, ben ik met de beantwoording van de brieven, die mij deze week bereikten wel een beetje laat. Gezien het vele wat gevraagd wordt is het mij niet doenlijk op alle vragen nu reeds te antwoorden. Met het beoefenen van een weinig geduld komt alles aan de beurt. In enkele brieven komen nog vragen voor over de „Vaccinatie". Hoewel dit vraagstuk voor de thans dienende militairen niet zoo direct belangrijk meer is, komt het mij toch voor nogmaals over dit vraagstuk te schrijven en wel om drie redenen. Ten eerste raakt deze kwestie ons godsdienstig, ja meer, ons geloofsleven; ten tweede is deze kwestie sedert mijn laatste schrijven hierover gewijzigd en ten derde ligt het in de bedoeling van onze Leger-autoriteiten om de nieuw opgekomen jonge recruten in den vervolge zoo spoedig mogelijk te vaccineeren. Dat vaccinatie strijdig is met Gods Voorzienigheid zal in onze kringen wel geen bestrijders vinden. Vaccinatie is in strijd met Gods Woord en is God verzoeken. Bij schrijven van 5 September 1946 heeft de Minister van Oorlog de weigering tot vaccinatie door militairen als volgt geregeld. De minister zegt in dit schrijven nadrukkelijk, dat het hem ongewenscht voorkomt, dat dwang wordt uitgeoefend. Wel is de Minister van meening, dat militairen, die om principieele redenen weigeren, deze ernstig te waarschuwen voor het groote gevaar wat ontstaat door zich niet te laten vaccineeren. Voorts heeft de Minister bepaald, dat de militairen welke niet gevaccineerd zijn, hierdoor geen vrijstelling verkrijgen van het uitzenden naar Indië. Tenslotte moet de militair een verklaring teekenen in tweevoud van den volgenden inhoud:
„Ondergeteekende, Commandant ........................ van verklaart hiermede, dat de ............... vaccinatie heeft geweigerd, niettegenstaande het feit, dat hem door een officier van Gezondheid nadrukkelijk er op is gewezen, dat zijn weigering het verkrijgen en verspreiden van gevaarlijke ziekten kan veroorzaken met alle ernstige gevolgen van dien."
Zoo is thans deze kwestie in het Leger geregeld. De Legerorder 1941 no. 7, welke in ons blad is afgedrukt is door den Minister ingetrokken. Mijn vriend V. te L. moge hier zijn antwoord vinden. Dat twee jongens te Arnhem voor deze weigering voor den krijgsraad zullen moeten verschijnen zal dus nog wel meevallen, gezien het schrijven van den Minister.
Over de vaccinatie voorloopig genoeg. Een andere niet minder belangrijke kwestie is de al of niet wettigheid van de uitzending naar Indië van dienstplichtigen.
Al mijn jonge schrijvers twijfelen aan de wettigheid. Nou makkers, ik moet jullie melden, dat het uitzenden van dienstplichtigen volkomen wettig is en wanneer je je hiertegen verzet, je de Overheid ongehoorzaam bent en dit is zooals we weten in strijd met Gods Woord. Er is en er wordt onder ons altijd geleerd, dat wij de Overheid onderdanig dienen te zijn omreden zij Gods dienaresse is. Ik weet wel dat er geschreven staat, dat wij Gode meer gehoorzaam moeten zijn dan de menschen, doch dat geldt voor de Overheid alleen, als zij wetten uitvaardigt, welke in flagranten strijd zijn met Gods Woord. En dit is het in dit geval niet. De uitzending van dienstplichtigen naar Ned. Indië berust op het Besluit van 22 Juni 1944 (Staatsblad no. E 45). In art. 1 van dit besluit is o.a. bepaald, dat dienstplichtigen van de Kon. Landmacht, zonder dat daartoe een toestemming hunnerzijds noodig is, kunnen worden uitgezonden naar elke plaats, waar hun aanwezigheid noodzakelijk wordt geacht in het belang van het Koninkrijk.
Dit besluit bezit kracht van wet krachtens het noodrecht.
In verband hiermede heeft o.a. art. 192 der Grondwet haar kracht verloren. Met deze zienswijze heeft de Tweede Kamer ingestemd. Zij is onbestreden naar voren gebracht bij de debatten inzake de wijziging van art. 192 der Grondwet.
Tenslotte kan ik jullie nog meedeelen, dat het wetsontwerp voor de herziening van art. 192 der Grondwet ter behandeling in tweede lezing bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is ingediend en, naar algemeen wordt verwacht, binnenkort zal worden aanvaard. Dit beteekent dus dat het Nederlandsche volk de daden van onze Regeering niet alleen goedkeurt maar ook voor wettig houdt. Ik wil het voor ditmaal hierbij laten. Het is alles om der zonde wil jongens, mochten we dit eens recht beleven. De offers die ons volk moet brengen zijn zwaar, mochten ze niet vergeefs worden gebracht. Later eens wat meer.
Ten slotte een beleefd verzoek. Willen alle militairen vóór hun vertrek naar Indië opgeven:
a. Naam en Voornamen.
b. Burgeradres.
c. Legernummer.
Ik heb hier een bepaald doel mee voor.
Het ga jullie allen wel en Gode bevolen.
Met vr. groeten,
KRIJGSMAN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1946
Daniel | 8 Pagina's